Naar hoofdinhoud
1.. Uitzicht op inkomensverbetering wordt in ieder geval verondersteld ten aanzien van de belanghebbende die: op de aanvraagdatum uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen en/of studiefinanciering ontvangt of kan volgen op grond van de WSF of die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS; tijdens de referteperiode een opleiding of onderwijs als bedoeld in punt a heeft gevolgd; op de aanvraagdatum een inkomen heeft dat hoger is dan de inkomensgrens voor de inkomenstoeslag maar gedurende drie jaar op bijstandsniveau leeft wegens een minnelijke schuldregeling of WSNP traject; op de aanvraagdatum inkomsten uit arbeid ontvangt onder de inkomensgrens voor de individuele inkomenstoeslag en bewust kiest voor een deeltijdbaan, maar wel potentieel heeft om zijn inkomen te verbeteren; binnen een termijn van 6 maanden na de aanvraagdatum een inkomen kan krijgen dat hoger is dan de inkomensgrens voor de individuele inkomenstoeslag; op de aanvraagdatum een arbeidsgericht traject volgt en waarbij het zeker is dat hij binnen een termijn van 6 maanden zicht heeft op inkomensverbetering; 2.. Een belanghebbende die valt onder één van de categorieën genoemd in het eerste komt niet inaanmerking voor de individuele inkomenstoeslag. 3.. Indien de veronderstelde inkomensverbetering ingevolge lis 1 sub a, b, e en f zich niet voordoet binnen de aangegeven termijn bestaat de mogelijkheid dat belanghebbende wel in aanmerking kan komen voor de inkomenstoeslag. Er dient dan opnieuw een afweging gemaakt te worden over het zicht op inkomensverbetering. 4.. In alle andere situaties, niet genoemd in het eerste lid, zal het college op grond van de eigen bevindingen een afweging maken over het zicht op inkomensverbetering van de aanvrager.

Rechtspraak bij dit artikel