Het algemeen bestuur bestaat uit evenveel leden als het aantal gemeenten dat aan de regeling deelneemt. Iedere gemeente wordt door één lid vertegenwoordigd en het college wijst dit lid aan het begin van elke zittingsperiode uit haar midden aan.
Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop het betreffende lid van de betreffende gemeente aftreedt en diens lidmaatschap van het betreffende college eindigt.
Het (desbetreffende) college voorziet zo spoedig mogelijk in de ontstane vacature.
Het college meldt elke aanwijzing tot lid van het algemeen bestuur aan de voorzitter.
Het college kan een door hem aangewezen lid ontslaan als dit zijn vertrouwen niet meer heeft, nadat dit lid zich heeft kunnen verantwoorden. De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet zijn dan van overeenkomstige toepassing.
Het algemeen bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs.
HOOFDSTUK 3
Artikel 6