Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 4

Bouwregels

Onderdeel van De Beheersverordening Ruinen 2015

4.1 Bestaande bouwwerken Binnen het verordeningsgebied zijn aanwezige bestaande bouwwerken toegestaan en mogen op dezelfde locatie worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen. 4.2 Vergroting van bestaande en nieuwe bouwwerken 4.2.1 Karakteristiek Voor het bouwen ter plaatse van het besluitsubvlak 'karakteristiek' gelden de volgende regels: de goothoogte, bouwhoogte en dakhelling van het gebouw zal ten minste en ten hoogste de bestaande goothoogte, bouwhoogte en dakhelling bedragen; het gebouw mag worden uitgebreid in de diepte met ten hoogste 20% van de oppervlakte van het bestaande gebouw, mits de hoofdvorm van het karakteristieke gebouw niet wordt aangetast. 4.2.2 Gebouwen, geen woonhuizen zijnde Nieuwe gebouwen mogen worden gebouwd en bestaande gebouwen mogen worden uitgebreid waarbij de volgende regels gelden, al dan niet ter plaatse van de aangegeven besluitsubvlakken: 'bouwvlak': het gebied dat gelegen is binnen deze gronden mag worden bebouwd. Indien ook het besluitsubvlak 'maximum bebouwingspercentage (%)' is weergegeven dan geldt het bepaalde in sub b; 'maximum bebouwingspercentage (%)' het bebouwingspercentage van het binnen het ter plaatse van het besluitsubvlak aangegeven gebied mag niet meer dan het aangegeven percentage bedragen; 'maximale goothoogte (m)': de goothoogte van gebouwen mag niet meer dan de ter plaatse van het besluitsubvlak aangegeven goothoogte bedragen; 'maximale bouwhoogte (m)': de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer dan de ter plaatse van het besluitsubvlak aangegeven bouwhoogte bedragen; voor het uitbreiden van bedrijfswoningen geldt dat de inhoud niet meer dan 600 m³ mag bedragen; 'bedrijventerrein 1': indien de oppervlakte van het bouwperceel ten minste 1000 m² bedraagt mag per bedrijf 1 bedrijfswoning worden gebouwd, waarvan de inhoud niet meer dan 600 m³ mag bedragen; de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 5,5 m bedragen; 'bedrijventerrein 2': de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 3 m bedragen. De afstand mag niet minder dan 5 m bedragen indien de gronden grenzen aan groenvoorzieningen; indien de oppervlakte van het bouwperceel ten minste 1000 m² bedraagt mag per bedrijf 1 bedrijfswoning worden gebouwd waarvan de inhoud niet meer dan 600 m³ mag bedragen; de goothoogte van een vrijstaande bedrijfswoning mag niet meer dan 5,5 m bedragen. Voor niet-vrijstaande bedrijfswoning geldt de goothoogte zoals aangegeven ter plaatse van het besluitsubvlak 'maximale bouwhoogte (m)'; 'gemengd': per bouwperceel mag niet meer dan 50% van de gronden worden benut voor het realiseren van gebouwen; de goothoogte van een gebouw mag niet meer dan 4,5 m bedragen; de bestaande garageboxen mogen worden uitgebreid tot een goothoogte van niet meer dan 2,5 m. 4.2.3 Woonhuizen en woongebouwen Voor de vergroting van bestaande woonhuizen en woongebouwen gelden de volgende regels: het aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen mag niet meer dan het bestaande aantal bedragen; de bestaande afstand van een hoofdgebouw tot de weg mag niet worden verkleind; de oppervlakte van een woonhuis mag worden vergroot tot niet meer dan 120 m²; de diepte van een woonhuis mag niet meer dan 12 m bedragen; de breedte van een woonhuis mag niet minder dan 5 m bedragen; de afstand van een vrijstaand woonhuis en van de vrijstaande zijde van een aaneengebouwd woonhuis tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 3 m bedragen; de goothoogte mag niet meer dan 4 m bedragen indien het een hoofdgebouw betreft met een goothoogte van niet meer dan 4 m; de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen indien het een hoofdgebouw betreft met een goothoogte van niet meer dan 7 m; de dakhelling niet minder dan 30° en niet meer dan 60° bedragen; een gebouw waarbij gelet op omvang of functie ruimte nodig is voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen mag alleen worden gebouwd indien uit de aanvraag om omgevingsvergunning blijkt dat voldoende parkeer- of stallingsruimte wordt gerealiseerd. 4.2.4 Nieuwe woonhuizen en woongebouwen Voor het bouwen van nieuwe woonhuizen en woongebouwen gelden de volgende regels, al dan niet ter plaatse van de aangegeven besluitsubvlakken: 'bouwvlak': het gebied dat gelegen is binnen deze gronden mag worden bebouwd; 'maximale goothoogte (m)': de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer dan de ter plaatse van het besluitsubvlak aangegeven goothoogte bedragen; 'maximale goot- en bouwhoogte (m)': de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer dan de ter plaatse van het besluitsubvlak aangegeven goot- en bouwhoogte bedragen; ter plaatse van het besluitsubvlak ‘centrum’ mogen woonhuizen uitsluitend aan de wegzijde worden gebouwd. 4.2.5 Erkers De grenzen van hoofdgebouwen en van gebouwen ter plaatse van het besluitsubvlak 'bouwvlak' mogen naar de buitenzijde worden overschreden door (hoek)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, met dien verstande dat: de bouwgrens of bouwvlakgrens met niet meer dan 1,5 m mag worden overschreden; de afstand van een erker tot de naar de weg gekeerde perceelgrens niet minder dan 3 m mag bedragen; de gezamenlijke oppervlakte per erker niet meer dan 6 m² mag bedragen; de gezamenlijke oppervlakte van een erker niet wordt meegerekend bij de bepaling van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. 4.2.6 Bijbehorende bouwwerken bij woonhuizen en bedrijfswoningen Voor het bouwen van nieuwe en de vergroting van bestaande bijbehorende bij (nieuwe) woonhuizen en bedrijfswoningen gelden de volgende regels: bijbehorende bouwwerken dienen in het erfbebouwingsgebied te worden gebouwd; de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 1 m bedragen, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd; de gezamenlijke oppervlakte bij woonhuizen van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken dient te voldoen aan de volgende regels: in het geval het erfbebouwingsgebied kleiner of gelijk is aan 100 m²: 60% van de oppervlakte van het erfbebouwingsgebied; in het geval het erfbebouwingsgebied groter is dan 100 m² en kleiner of gelijk is aan 300 m²: 60 m² vermeerderd met 40% van dat deel van de oppervlakte van het erfbebouwingsgebied dat groter is dan 100 m²; in het geval het erfbebouwingsgebied groter is dan 300 m² en kleiner of gelijk is aan 900 m²: 140 m² vermeerderd met 10% van dat deel van de oppervlakte van het erfbebouwingsgebied dat groter is dan 300 m²; in het geval het erfbebouwingsgebied groter is dan 900 m²: 200 m²; de gezamenlijke oppervlakte bij bedrijfswoningen van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 100 m² bedragen; in afwijking van het bepaalde in sub c mag de gezamenlijke oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan: 200 m², ter plaatse van het besluitsubvlak 'bijgebouwen 1'; 245 m², ter plaatse van het besluitsubvlak 'bijgebouwen 2'; de goothoogte mag niet meer dan 3 m bedragen met dien verstande dat de goothoogte voor aangebouwde bouwwerken mag worden verhoogd tot niet meer dan 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw. 4.2.7 Bijbehorende bouwwerken bij woongebouwen Voor het bouwen van nieuwe en de vergroting van bestaande bijbehorende bouwwerken bij woongebouwen gelden de volgende regels: de gezamenlijke oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 100 m²; de goothoogte mag niet meer dan 3 m bedragen met dien verstande dat de goothoogte voor aangebouwde bouwwerken mag worden verhoogd tot niet meer dan 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het woongebouw. 4.2.8 Bijbehorende bouwwerken bij gebouwen, geen woonhuizen en geen woongebouwen zijnde Voor het bouwen van nieuwe en de vergroting van bestaande bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen, geen woonhuizen en woongebouwen zijnde, gelden de volgende regels: de gezamenlijke oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50 m²; de goothoogte mag niet meer dan 3 m bedragen met dien verstande dat de goothoogte voor aangebouwde bouwwerken mag worden verhoogd tot niet meer dan 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw. 4.2.9 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van nieuwe en de vergroting van bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: indien het voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen, ter plaatse van het besluitsubvlak 'gemengd' mag niet meer dan 2 m bedragen; de bouwhoogte van bouwwerken, geen bouwwerken zijnde ten behoeve van de opwekking van windenergie in de vorm van kleine windturbines die zijn toegestaan ter plaatse van de besluitsubvlakken 'bedrijventerrein 1' en 'bedrijventerrein 2' mag niet meer dan 15 m bedragen; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, respectievelijk lichtmasten ten dienste van een paardenbak mag niet meer dan bedragen dan 1,5 m respectievelijk 6 m; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van verkeersdoeleinden mag niet meer dan 12 m bedragen; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van water mag niet meer dan 4 m bedragen; de bouwhoogte van lichtmasten ter plaatse van sportvoorzieningen mag niet meer dan 12 m bedragen; in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedragen; in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde onder a en g geldt voor een overkapping dat: de bouwhoogte niet meer dan 3,25 m mag bedragen; de afstand tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 1 m mag bedragen, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd; de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde 0 m mag bedragen; de oppervlakte niet meer dan 30 m² mag bedragen. 4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Afwijkingsbevoegdheid Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in: lid 4.1 in die zin dat bij vervanging van bouwwerken in beperkte mate wordt afgeweken van de herbouw op de bestaande locatie; lid 4.1 in die zin dat de goothoogte van gebouwen met een goothoogte van niet meer dan 4 m wordt vergroot tot niet meer dan 6 m; lid 4.1 in die zin dat de goothoogte van gebouwen met een goothoogte van niet meer dan 7 m wordt vergroot tot niet meer dan 9 m; lid 4.2.2 sub d in die zin dat de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw, ter plaatse van het besluitsubvlak 'bedrijventerrein 2' wordt vergroot tot niet meer dan 10 m, met dien verstande dat deze bouwhoogte maximaal 20% van het grondoppervlak van het bedrijfsgebouw mag bedragen; lid 4.2.2 sub d in die zin dat een silo mag worden gebouwd met een bouwhoogte van niet meer dan 12 m, ter plaatse van het besluitsubvlak 'bedrijventerrein 2'; lid 4.2.2 sub g onder 1 in die zin dat de afstand tot de zijdelingse perceelgrens wordt verkleind tot 0 m; lid 4.2.3 sub a in die zin dat een hoofdgebouwen mag worden gewijzigd naar vrijstaand, twee-aaneen of (in een rij) aaneengebouwd; lid 4.2.3 sub b in dit zin dat de afstand van een hoofdgebouw tot de weg wordt verkleind; lid 4.2.3 sub d in dit zin dat de diepte van een woonhuis wordt vergroot tot ten hoogte 15 m; lid 4.2.3 in dit zin dat: de oppervlakte van een hoofdgebouw met niet meer dan 25 m² wordt vergroot; een hoofdgebouw wordt gebouwd met een lessenaarsdak en dat de goothoogte aan één zijde wordt verhoogd tot niet meer dan 9 m; de dakhelling voor niet meer dan 50% van het dakoppervlak wordt verminderd tot 0°; de afstand tot de zijdelingse perceelgrens wordt verminderd tot 0 m; lid 4.2.6 sub d en e n die zin dat: indien reeds een oppervlakte van 200 m² aanwezig is, per bouwperceel eenmalig vervangende (ver)bouw plaatsvindt tot een maximumoppervlakte van 50% van het oppervlak dat de 200 m² te boven gaat; indien reeds een oppervlakte van 500 m² en niet minder dan 500 m² aanwezig is, per bouwperceel eenmalig vervangende (ver)bouw plaatsvindt tot een maximumoppervlakte van 20% van het oppervlak dat de 500 m² te boven gaat, maar dit uitsluitend in combinatie met het vermelde onder 1. 4.3.2 Toetsingscriteria Een in lid 4.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: het straat- en bebouwingsbeeld; een goede woonsituatie; de verkeersveiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de sociale veiligheid; de externe veiligheid.

Rechtspraak bij dit artikel