Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4

Artikel 4

Onderdeel van Beleidsregels planologische kruimelgevallen (2016)

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, de oppervlakte niet meer dan 150 m2; Onder deze eerste algemene categorie vallen gelet op de definitie van bijbehorend bouwwerk in het Bor, drie verschillende type categorieën uitbreidingen, te weten: (A) uitbreidingen van het hoofdgebouw zelf: o.a. erker, koekoek, kelder, nieuwe bouwlaag, uitbreidingen door middel van complete gevelverplaatsingen en (volledige) dakophogingen Nb. Bakons, dakopbouwen en dakterrassen op het hoofdgebouw worden gereguleerd onder artikel 4, lid 4 – categorie E – een lex specialis regeling ten opzichte van lid 1 voor bepaalde ‘bijbehorende bouwwerken’, uitbreidingen van het hoofdgebouw. 12Vgl. Rb. Noord-Holland 17-12-2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:11787) en expliciet sinds de wijziging van het Besluit omgevingsrecht per 9 september 2015, Stb. 2015, 323. (B) uitbreidingen door toevoeging van een bijbehorend bouwwerk: erfbebouwing zoals aan- uitbouwen, bijgebouwen, mantelzorgwoningen, carports, serres, plantenkassen (C) uitbreidingen van het bijbehorende bouwwerk: vergroting van bestaande erfbebouwing Regel 1: artikel 4 lid 1, categorie A1 t/m A3, B en C, alsmede artikel 4 lid 4, categorie E1 t/m E5 zijn alleen van toepassing indien: het hoofdgebouw een woning betreft (niet zijnde een woonwagen of woonboot), gelegen binnen de bebouwde kom. De gedachte om de beleidsregel toe te spitsen op woningen binnen de bebouwde kom, komt voort uit het feit dat er bij woningen altijd een specifiek belang aanwezig is tot vergroting van het woongenot in relatie tot de belangen van omwonenden. Met onderstaande criteria wordt het belang van vergroting van het woongenot in evenredigheid gebracht met de belangen van de (direct) omwonenden in een stedelijke omgeving. Bij woningen buiten de bebouwde kom zijn de belangen meer casusafhankelijk en individueel bepaald. Door woningen buiten de bebouwde kom niet onder deze beleidsregel te laten vallen kan maatwerk worden geleverd zonder dat afgeweken hoeft te worden van vastgesteld beleid. Categorie A – Uitbreiding van het hoofdgebouw A1. Erker De criteria zijn als volgt: alleen toegestaan op of boven eigen terrein aan de voorgevel; maximaal 1 m overschrijding van de bouwgrens; maximale oppervlakte gelegen buiten bouwvlak bedraagt in totaal 6 m2; afstand van erker tot een zijdelingse erfgrens bedraagt minimaal 0,5 m tenzij geschakeld met een naburige erker; niet hoger dan de hoogte van de betreffende bouwlaag plus 0,3 m (exclusief de hoogte van een bovengelegen balkon). Nb. Erkers aan de zij- of achtergevel van de eerste bouwlaag worden beschouwd als erfbebouwing (aanbouw/uitbouw) en vallen onder de categorie (B) van bijbehorende bouwwerken en (dienen te) liggen in het achtererfgebied. In verband met de benodigde isolatie en dakbedekking wordt een extra hoogte van 0,30 m toegestaan. A2. Koekoek De criteria zijn als volgt: alleen toegestaan op eigen terrein; maximaal 1 m buiten bouwvlak; vlak afgedekt met doorvalbeveiliging; maximaal 2 koekoeken aan één gevel. A3. Kelder / Souterrain De criteria zijn als volgt: uitsluitend te bouwen binnen het bouwvlak (uitzondering voor koekoek) b. uitsluitend 1-laags met een maximale diepte van 3 m onder peil, c. toestemming van de waterbeheerder in geval van mogelijke consequenties voor waterstromen. In verband met potentiële grondwaterproblemen en/of de waterbergingscapaciteit op eigen erf zijn geen beleidsmatige regels opgesteld voor kelders buiten het bouwvlak. Aanvragen daaromtrent vallen niet onder categorie A3 en worden per concreet geval beoordeeld. A4. Overige vergrotingen hoofdgebouw zelf Deze restcategorie valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen omtrent uitbreidingen van het hoofdgebouw zelf - ten aanzien van woningen niet genoemd onder A1 t/m A3 - worden per concreet geval beoordeeld. Hieronder worden in ieder geval verstaan bouwplannen voor het toevoegen van een nieuwe bouwlaag op een bestaand gebouw, het verplaatsen of optrekken van complete gevels dan wel het uitbouwen over meerdere bouwlagen. Categorie B – Uitbreidingen met een bijbehorend bouwwerk Ten aanzien van deze categorie (erfbebouwing bij woningen) heeft de wetgever vergunningsvrij dusdanig veel ruimte geboden, dat hetgeen vergunningsvrij valt te realiseren tevens als maximum wordt aangemerkt voor het bebouwingsvolume in deze beleidsregel. Regel 2: de maximale hoeveelheid aan vergunningsvrij te realiseren bijbehorende bouwwerken geeft het maximale bebouwingsvolume in het bebouwingsgebied Dit standpunt strookt met de door de wetgever voorgestane planologische totaalbenadering omtrent de maximale hoeveelheid erfbebouwing binnen het bebouwingsgebied, zoals opgenomen in onderstaand artikel: Artikel 2, onder f, Bijlage II van het Bor 1° in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied, 2° in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2, 3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2 »Geen aanvullend afwijkingsbeleid op dit onderdeel. Zie regel 2. Bovenstaand artikel schematisch weergegeven: Hetgeen vergunningsvrij valt te realiseren staat benoemd in artikel 2 van Bijlage II van het Bor. Hieronder wordt per onderdeel aangegeven of en wat er nog aan aanvullende afwijkingsmogelijkheden in deze beleidsregels wordt geboden met betrekking tot de categorie van erfbebouwing. Artikel 2, Bijlage II van het Bor Een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: 1°. 5 m, 2°. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en 3°. het hoofdgebouw, » Geen aanvullend afwijkingsbeleid op dit onderdeel b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: 1°. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3 2°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg, » Geen aanvullend afwijkingsbeleid op dit onderdeel c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; » Niet van Toepassing. d. een verblijfsgebied, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag; » Aanvullend afwijkingsbeleid mogelijk met beoordeling per concreet geval. e. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; » Aanvullend afwijkingsbeleid mogelijk, zie E3. Categorie C. Vergroting van bestaande erfbebouwing Zoals eerder onder categorie B reeds vermeld heeft de wetgever vergunningsvrij dusdanig veel ruimte geboden voor bebouwing in het achtererfgebied dan wel bebouwingsgebied bij woningen, dat hetgeen vergunningsvrij valt te realiseren tevens als maximum wordt aangemerkt voor het bebouwingsvolume in deze beleidsregel. Dit is reeds opgenomen in Regel 2. Het is evident dat deze bovengrens ook geldt in het geval van vergroting van bestaande erfbebouwing. Dit is vervat in Regel 3. Regel 3: Vergroting van bestaande erfbebouwing is slechts mogelijk tot hetgeen vergunningsvrij is toegestaan. De planologische kruimellijst uit het Bor gaat verder in de navolgende artikelen. 2. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening (…) Deze categorie van planologische kruimelgevallen valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen hieromtrent worden per concreet geval beoordeeld. Artikel 2, onderdeel 18, onder a van Bijlage II van het Bor, geeft aan dat vergunningsvrij een bouwwerk van max. 15 m² en niet hoger dan 3 m mag worden gerealiseerd. Dit is in de meeste gevallen voor dit soort voorzieningen, voldoende. Een nog ruimere voorziening kan, maar verwacht wordt dat dit zeer sporadisch voorkomt, waardoor per geval wordt bekeken of hieraan toepassing wordt gegeven. 3. Categorie D. Bouwwerk geen gebouw zijnde een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 10 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; D1. Erfafscheidingen In artikel 2, onderdeel 12 van Bijlage II van het Bor zijn reeds aanzienlijke mogelijkheden opgenomen om vergunningsvrij een erfafscheiding te realiseren. Hierbij wordt aansluiting gezocht, waardoor er op grond van artikel 4, derde lid van Bijlage II van het Bor omgevingsrecht in beginsel geen medewerking wordt verleend ten aanzien van (hogere) erfafscheidingen. » Geen aanvullend afwijkingsbeleid ten aanzien van vergunningsvrij D2. Overkappingen en carports Overkappingen en carports zijn geen gebouwen, echter ze vallen wel onder de definitie van ‘bijbehorende bouwwerken’. Gelet hierop dienen zij mee te tellen in de planologische totaalbenadering ten aanzien van de hoeveelheid aan bebouwing in het bebouwingsgebied. De criteria zijn: Regels 2 en 3 zijn van toepassing. Uitsluitend te realiseren in het achtererfgebied Deze kruimelcategorie kan daarnaast wel ook voor andere hoofdgebouwen dan woningen worden toegepast. D3. Overige bouwwerken geen gebouw zijnde Voor overige bouwwerken geen gebouw zijnde, zoals pergola’s, luifels, en vlaggenmasten geldt het navolgende. Per concreet geval wordt bekeken of aan deze mogelijkheid toepassing wordt gegeven. 4. Categorie E. Dakuitbreidingen en ondergeschikte toevoegingen een dakterras, balkon, of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwonderdeel van ondergecshikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw; Regel 1 is van toepassing ten aanzien van categorie E1 t/m E5. Initiatieven ten aanzien van deze kruimelcategorie betreffende niet-woongebouwen dan wel woningen buiten de bebouwde kom vallen buiten de reikwijdte van dit beleid en worden per concreet geval beoordeeld. Ratio daarvan is gelegen in de wens om een goede ruimtelijke en stedenbouwkundige afweging te kunnen maken ten aanzien van met name omvangrijke hoofdgebouwen. E1. Dakkapel In recente bestemmingsplannen is bij de wijze van meten opgenomen dat indien dakkapellen (gezamenlijk) breder dan 50% van het dakvlak zijn, er een (tweede) goothoogte wordt gecreëerd. Dat betekent dat dergelijke dakkapellen strijdig zijn met het bestemmingsplan indien er wordt gebouwd boven de maximaal toegestane goothoogte. Hiermee is in beginsel een grens gegeven ten aanzien van de omvang van dakkapellen, welke niet reeds al vergunningsvrij zouden kunnen worden gerealiseerd. Voor het overige bevatten de bestemmingsplannen geen inhoudelijke regels omwille van de geringe ruimtelijke uitstraling van dakkappelen én teneinde via het kruimelgevallenbeleid beter te kunnen inspringen op wijzigingen in regelgeving of maatschappelijke behoeften. De criteria om dakkapellen in afwijking van het bestemmingsplan toe te staan, zijn: bij een achtergevel of niet naar openbaar gebied gerichte zijgevel: (tezamen of los) niet breder dan 2/3 van de betreffende dakvlakbreedte, 13 Gemeten (gemiddeld ter hoogte van de te plaatsen dakkapel. bij een voorgevel of naar openbaar gebied gerichte zijgevel: (tezamen of los) niet breder dan 1/2 van de betreffende dakvlakbreedte; bij een zijgevel mogen geen kijkopeningen worden gecreëerd binnen 2 m tot een naburige erfgrens; bij meerdere dakkapellen op een doorgaand dak: regelmatig geordend op een horizontale lijn (plaatsing boven elkaar niet toegestaan); zijkanten dicht; voorzien van een plat dak, of bij een dakhelling met meer dan 60° desgewenst een aangekapte dakkapel; gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m, onderzijde meer dan 0,5 m boven de dakvoet, bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok, zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak. E2. DAKTERRAS op hoofdgebouw De criteria zijn: het dakterras incl. hekwerk wordt gerealiseerd op een plat dak; het dakterras incl. hekwerk mag niet worden gerealiseerd op/over dakkapellen, dakopbouwen of dakuitbouwen; aan de zijde gericht naar openbaar gebied dient het dakterras incl. hekwerk aan de 45-graden regel te voldoen (tenzij d van toepassing); bij een kapverdieping dient de afstand van het dakterras incl. hekwerk, tot de dakranden met een hellingshoek minimaal 3 m te bedragen; aan de achterzijde mag een dakterras tot de achtergevelrooilijn worden geplaatst; de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt 2 m (tenzij expliciete schriftelijke toestemming van de naburige eigenaar); de constructiehoogte (excl. hekwerk en bestaande dakconstructie) van het dakterras bedraagt maximaal 0,2 meter; hoogte van het hekwerk (excl. constructie/vloer) bedraagt maximaal 1,20 m. E3. DAKTERRAS op bijbehorend bouwwerk De criteria hiervoor zijn: uitsluitend toegestaan op vergunningsvrij te realiseren direct aan het hoofdgebouw aangebouwde bijbehorende bouwwerken (vaste aanbouw/uitbouw); uitsluitend toegestaan met inachtneming van een minimale afstand van 2 m tot een naburige erfgrens (tenzij expliciete schriftelijke toestemming van de naburige eigenaar); het dakterras incl. hekwerk wordt gerealiseerd op een plat dak; de constructiehoogte (excl. hekwerk en bestaande dakconstructie) van het dakterras bedraagt maximaal 0,2 meter; hoogte van het hekwerk (excl. constructie/vloer) bedraagt maximaal 1,20 m. E4. DAKOPBOUW / DAKUITBOUW Omdat er dusdanig veel varianten mogelijk zijn ten aanzien van dakopbouwen en dakuitbouwen worden alle aanvragen omtrent deze categorie per concreet geval beoordeeld. Indien een dakopbouw een volwaardige bouwlaag betreft valt deze formeel te beschouwen als een aanvraag tot vergroting van het hoofdgebouw zelf welke valt onder categorie A4. Echter, ook ten aanzien van die categorie is bepaald dat aanvragen daaromtrent per concreet geval worden beoordeeld. E5. Balkon De criteria zijn als volgt: aan voor- en zijgevels toegestaan tot 1 m buiten het bouwvlak; aan de achtergevel toegestaan tot 1,5 m buiten het bouwvlak; minimaal 2 m afstand tot de erfgrens (tenzij het een balkon betreft geposotioneerd op een erker aan de voorgevenl conform categorie A1); constructie op palen niet toegestaan; hoogte van het hekwerk (excl. constructie/vloer) maximaal 1,20m; voorzien van privacy scherm indien dit noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van de naburige privacy. Ingevolge artikel 50 lid 1 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek geldt dat naburige eigenaren een afstand van 2 meter tot de erfgrens dienen te respecteren bij het realiseren van muuropeningen of balkons of dergelijke voor zover deze uitzicht geven op het erf. Deze beperking zal in voorkomende gevallen bij aaneengesloten bebouwing tot gevolg hebben dat een gevel onvoldoende breed is voor de realisatie van een balkon als effectieve buitenruimte. Balkons aan niet-woongebouwen of woningen buiten de bebouwde kom vallen buiten de reikwijdte van dit beleid en worden per concreet geval beoordeeld. E6. OVERIGE ondergeschikte (dak) toevoegingen De criteria hiervoor zijn: uitsluitend toegestaan bij bouwdelen van ondergeschikte aard in het geval van schoorstenen, liftinstallaties, ventilatiekanalen, airco-units, luchtbehandelingsinstallaties, glazenwassersinstallaties, zonnepanelen, brandtrappen of bouwwerken die samenhangen met installaties binnen het gebouw (reclameborden niet toegestaan); voor zover het geen schoorstenen betreft, dient de afstand tot de voorgevel en/of zijgevel gericht naar openbaar toegankelijk gebied ten minste gelijk te zijn aan de hoogte van de betreffende installatie (“45-graden regel”). 5. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; Deze categorie van planologische kruimelgevallen valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen hieromtrent worden per concreet geval beoordeeld. 6. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling, bedoeld in artikel 1, lid 1 onder w van de Elektriciteitswet 1998; Deze categorie van planologische kruimelgevallen valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen hieromtrent worden per concreet geval beoordeeld 7. een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; Deze categorie van planologische kruimelgevallen valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen hieromtrent worden per concreet geval beoordeeld 8. Categorie F het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied; Deze nieuwe categorie van planologische kruimelgevallen ziet bijvoorbeeld op het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen. Bij het beantwoorden van de vraag of er al dan niet sprake is van een ingrijpende herinrichting van openbaar gebied, zullen onder andere moeten worden betrokken de te verwachten gevolgen van de herinrichting voor omwonenden en gebruikers van het desbetreffende gebied. De overige criteria zijn verder o.a.: Het mag niet gaan om meer dan 10 parkeerplaatsen in een aaneengesloten gebied of straatzijde; Het mag niet ten koste gaan van waardevolle/monumentale bomen in de zin van vigerend gemeentelijk beleid (Bomenlijst); Adviezen vanuit de verschillende disciplines, zoals Verkeer/Parkeren, Groen en Openbare Ruimte moeten positief zijn. De herinrichting van openbaar gebied ter realisatie van een terras conform de regeling uit de Algemeen verbindende voorschriften terrassen 2015 (INT-15-19154) is via deze kruimelcategorie een procedurele mogelijkheid indien het terras in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. 9. Categorie G - Gebruikswijziging het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorie:en vreemdleingen; De criteria zijn: Uitsluitend toegestaan ten aanzien van bestaande opstallen opgericht meer dan 1 jaar geleden14Bepalend voor de periode van 1 jaar is de datum van oprichting van het hoofdgebouw. Aan cumulatie met een andere categorie van de kruimelgevallenlijst als bedoeld in artikel 4 van Bijlage II van het Bor wordt niet meegewerkt indien het gaat om het hoofdgebouw; Gebruikswijzigingen naar niet-perifere detailhandel worden niet toegestaan, tenzij het een locatie betreft in of aansluitend aan een centrum/winkelgebied, waarbij supermarkten per concreet geval worden beoordeeld; Gebruikswijzigingen mogen geen onevenredige afbreuk doen aan de functie van het kernwinkelgebied 15Onder kernwinkelgebied wordt verstaan: het gebied zoals aangeduid in kaart blad 2b van het bestemmingsplan Breestraat e.o. (2008). in rond de Breestraat; Gebruikswijzigingen mogen geen afbreuk doen aan de functionele en ruimtelijke samenhang van een bedrijventerrein of woonwijk; Gebruikswijzigingen naar een horeca-inrichting, als bedoeld in categorie 3 van de (standaard) Lijst van horeca-activiteiten, worden per concreet geval beoordeeld. 16 Zoals opgenomen in de bestemmingsplannen sedert 2013 en het bestekhandboek ten aanzien van digitale ruimtelijke plannen. Gebruikswijzigingen mogen niet leiden tot parkeer-, stank-, geluid- of verkeersoverlast voor de omgeving. Indien de wijziging betrekking heeft op uitbreiding van het aantal woningen of bij een andere gebruikswijziging met redelijke impact, kan worden verlangd dat inzicht wordt gegeven in de ruimtelijke effecten (op basis van artikel 4:4 Bor en 3:2 Mor). Eisen aan deze onderbouwing worden per aanvraag vastgesteld; Indien nodig kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid om in overleg met de aanvrager de beslistermijn op te schorten. Ten aanzien van deze kruimelcategorie is bepaald - sedert de wijziging van 1 november 2014 - dat artikel 5 van bijlage II niet meer geldt, inhoudende de eis dat het aantal woningen niet mag toenemen. Tevens is daarbij de oppervlakte begrenzing van 1500m² losgelaten. De reikwijdte van deze kruimelcategorie is daarmee bijzonder groot geworden. In het kader van zorgvuldigheid en een goede ruimtelijke ordening zijn dan ook een aantal rondvoorwaarden neergelegd in deze beleidsregels. De ratio van dit artikel is om leegstand tegen te gaan. echter, in het kader van de rechtszekerheid omtrent een nieuw bestemmingsplan of een recent verleende omgevingsvergunning wordt een periode van minimaal 1 jaar geïntroduceerd na oprichting van het betreffende gebouw, alvorens het toegewezen/ vergunde gebruik weer kan worden omgezet via dit artikel naar een geheel ander gebruik. Onder 'het gebruik'in dit artikel wordt dus niet het juridische (en wellicht nooit gerealiseerd) gebruik verstaan. Teneinde de resterende beperking omtrent het bebouwd oppervlakte of het bouwvolume, niet te passeren, wordt cumulatie met bijvoorbeeld artikel 4, lid 1 van de kruimelgevallenlijst niet toegestaan indien het gaat om wijzigingen aan het hoofdgebouw. Dat het moet gaan om een gebruikswijziging binnen een bestaand hoofdgebouws, blijkt overigens ook uit de toelichting behorende bij he Bor. 17 Besluit omgevingsrecht. Nota van Toelichting, Stb. 2014, 333, p.51. Voorts zijn bepalingen opgenomen om detailhandel zoveel mogelijk te clusteren en de functie van het kernwinkelgebied in en rond de Breestraat te beschermen. Daarnaast dient een zware horeca-variant zoals een discotheek of partycentrum gelet op de mogelijk aanzienlijke ruimtelijke uitstraling per concreet geval te worden beoordeeld. Tenslotte is een bepaling opgenomen welke beoogd de functionele en ruimtelijke samenhang van bepaalde gebieden, zoals een bedrijventerrein of (rustige) woonwijk, te beschermen door een wezensvreemde gebruikswijzing met bijbehorende ruimtelijke impact uit te kunnen sluiten. 10. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen; b. de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden; c. de bewoners op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en d. de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was. Niet toegestaan binnen het kader van deze beleidsregels. Permanente bewoning van recreatiewoningen wordt om diverse redenen als ongewenst beschouwd. Aan de geformuleerde criteria zal bovendien niet of nauwelijks (meer) in voorkomende gevallen kunnen worden voldaan. 11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Deze categorie van planologische kruimelgevallen valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen hieromtrent worden per concreet geval beoordeeld. Opgemerkt wordt dat omwille van de rechtszekerheid en handhaafbaarheid terughoudend met deze discretionaire bevoegdheid zal worden omgegaan. Het moet aannemelijk zijn dat het gaat om een tijdelijke situatie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel