Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 21

Subsidievaststelling, -intrekking en -wijziging

Onderdeel van Algemene Subsidieverordening gemeente Druten 2012

1.. Indien er sprake is van een subsidieverlening ingevolge art. 13, vierde lid, wordt de subsidie binnen uiterlijk een jaar na afloop van de subsidieperiode, door het college vastgesteld. 2.. De subsidie kan naast de gevallen, vermeld in art. 4:46, tweede en derde lid Awb, lager worden vastgesteld, indien: is gebleken, dat de subsidie aan andere activiteiten is besteed dan waarvoor zij is aangevraagd, dan wel verstrekt; de subsidieontvanger feitelijk niet of niet voldoende overeenkomstig zijn doelstellingen werkzaam is en hierin ondanks ontvangen schriftelijke waarschuwing geen verandering brengt; de subsidieontvanger een financieel wanbeleid voert; de instelling bij rechterlijk vonnis is ontbonden; bij de subsidieontvanger conservatoir of executoriaal beslag is gelegd op het vermogen of een deel ervan; aan de subsidieontvanger surseance van betaling is verleend; de subsidieontvanger in staat van faillissement is verklaard. 3.. Het college kan, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen als zich een geval voordoet als genoemd in art. 4:48, lid 1 en art. 4:50, lid 1 Awb, of een geval als genoemd in het vierde lid. In het geval van toepassing van art. 4:50 Awb moet een redelijke termijn in acht worden genomen. 4.. Het college kan een vastgestelde subsidie intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen in de gevallen, genoemd in art. 4:49, eerste lid Awb. Deze bepaling is ook van toepassing op de directe subsidievaststelling.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel