Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in de kosten van zijn eigen bestaan dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
Er kan sprake zijn van samenloop tussen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en het niet nakomen van een geüniformeerde verplicht zoals bijvoorbeeld bij het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, artikel 18 lid 4, onderdeel g Participatiewet. In dat geval dient het handelen of nalaten te worden gekwalificeerd als vallend onder een geüniformeerde verplichting en moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 lid 4 Participatiewet en artikel 9 en 15 lid 6 van deze verordening.
Bijstand in de vorm van een geldlening
Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48 lid 2, onderdeel b, Participatiewet. Als het college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het college wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde. 5 CRvB 20-03-2007, nrs. 06/515 NABW e.a., ECLI:NL:CRVB:2007:BA2344.
Artikel 10.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Maatregelen- en handhavingsverordening Gemeente Almere 2016