Afzien van verlagen
Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18 lid 9 Participatiewet, respectievelijk artikel 20 lid 3 IOAW en artikel 20 lid 3 IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. 4 CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, ECLI:NL:CRVB:2001:AD4887. Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet juncto artikel 3 lid 4 van deze verordening van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.
Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.
Om deze reden regelt deze verordening dat het college geen maatregel oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of het college overgaat tot het opleggen van een verlaging.
Afzien van het opleggen van een maatregel in verband met dringende redenen
Er kan worden afgezien van het opleggen van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het opleggen van een maatregel. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 6 lid 2 van deze verordening van een maatregel afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive, artikel 15 lid 5
van deze verordening.
Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen Artikel 18 lid 4 en 5 Participatiewet schrijven bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18 lid 10 van de Participatiewet moet het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden.
De zinsnede “naar zijn oordeel” geeft expliciet aan dat het college uitdrukkelijk de ruimte heeft om in individuele gevallen af te wijken van de in de Participatiewet standaard minimaal voorgeschreven hoogte en duur van de verlaging van de bijstand. De betekent dat het college, gelet op de bijzondere omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden middelen te verwerven, bevoegd zijn om in individuele gevallen te besluiten de maatregel op een lager niveau, voor en kortere duur of zelfs op nul vast te stellen. De nul maatregel telt wel mee bij recidive. Toepassing van artikel 18 lid 10 Participatiewet vergt een individuele beoordeling. Er is geen sprake van een algemene ontsnappingsclausule. Dit betekent dat, ondanks dat de Participatiewet een bepaalde (minimale) maatregel bij het niet-naleven van een geharmoniseerde arbeidsverplichting voorschrijft, het college uitdrukkelijk moet beoordelen of de betreffende standaardmaatregel ook in dit individuele geval moet worden toegepast. Het is dus nadrukkelijk niet zo dat het college op voorhand is gehouden om bij een niet-nagekomen verplichting een bepaalde periode geen bijstand te verstrekken.
Daarnaast dient het college de maatregel af te stemmen op de bijzondere omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven indien dringende redenen daartoe noodzaken. Het college heeft geen bevoegdheid om te variëren in de hoogte van de maatregel. Daarbij dient wel rekening te worden gehouden met de in beginsel voor de overheid bestaande mede uit het internationale recht voortvloeiende, zorgplicht voor ingezetenen en met name minderjarige gezinsleden. Gelet op de functie van de bijstand bij de nakoming van die zorgplicht is het van belang dat bij de verlaging met 100% in uitzonderlijke situaties afstemming mogelijk blijft. Van een dergelijke zeer uitzonderlijke situatie is sprake, indien dringende redenen, gelet op de bijzondere omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, verlening van bijstand onvermijdelijk maken. Artikel 18 lid 10 Participatiewet voorziet in de mogelijkheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van de maatregel. Dit schept ruimte om ondersteuning in enige vorm te bieden en daarmee te voldoen aan de op de overheid rustende zorgplicht. Voor de belanghebbende betekent dit dat hij niet om toepassing hiervan hoeft te verzoeken. De bijzondere omstandigheden die tot dringenden redenen leiden, kunnen gelegen zijn in maatschappelijk belang zoals marginalisering van mensen, vergroting schuldenproblematiek, huisuitzettingen, maar ook de vorenbedoelde zorgplicht van de overheid in relatie tot individuele omstandigheden en kinderen in het gezin. Voor wat betreft dat laatste wordt ook verwezen naar de verdragen inzake de rechten van ouders en kinderen op een passende sociale en economische bescherming.
Bij het leveren van maatwerk dient het college rekening te houden met de individuele situatie van de bijstandsgerechtigde. Zo is bij een aantal (geüniformeerde) verplichtingen “naar vermogen” aan de orde. Het is dan aan het college om te beoordelen waartoe diens vermogen, dit zijn de krachten en bekwaamheden, de bijstandsgerechtigde in staat stelt en of hij dat vermogen benut heeft ter voldoening aan de desbetreffende verplichting.
Schriftelijke mededeling in verband met recidive Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive, artikel 15 lid 5 van deze verordening.
Artikel 6
Afzien van verlaging
Onderdeel van Maatregelen- en handhavingsverordening Gemeente Almere 2016