Naar hoofdinhoud
Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend verzuim. Van een tweede respectievelijk derde/volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vijf belastingjaren éénmaal respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest. De ambtenaar belast met de heffing legt in geval van een eerste verzuim een boete op van 5 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is niet lager dan € 10,--. In geval van een tweede verzuim legt de ambtenaar belast met de heffing een boete op van 10 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is dan niet lager dan € 25,--. De ambtenaar belast met de heffing legt een boete van 15 procent op van het bedrag van de aanslag, indien sprake is van een derde/volgend verzuim. De verzuimboete is dan niet lager dan € 75,--. De verzuimboete is niet hoger dan € 1.134,--. Indien sprake is van het niet doen van aangifte legt de ambtenaar belast met de heffing een verzuimboete op van 15 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is niet lager dan € 75,-- en niet hoger dan € 1.134,--. Onder het bedrag van de aanslag als bedoeld in het derde en vierde lid wordt verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van opgelegde voorlopige aanslagen. Een ingevolge artikel 67a van de Awr opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op de in de vorige leden genoemde minimum bedragen.

Rechtspraak bij dit artikel