De verlaging van de bijstand vindt plaats vanaf het moment van
schriftelijke kennisgeving inzake het redelijk vermoeden, mits
belanghebbende zich niet binnen één maand bereid heeft verklaard als
bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels.
Indien belanghebbende zich op enig moment bereid verklaart de
inspanningsverplichting na te komen overeenkomstig artikel 4 van
deze beleidsregels, wordt de verlaging gestopt vanaf de datum waarop
belanghebbende voldoet aan de in dat artikel gestelde voorwaarden.
Voordat een verlaging wordt uitgevoerd beoordeelt het college of er
sprake is van ontbreken van verwijtbaarheid en/of een dringende
reden. Het ontbreken van verwijtbaarheid dient te worden aangetoond
door belanghebbende.