Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6, van de wet kan voor de in artikel 28, onder b en c, vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een gemeenschappelijke voorziening als bedoeld in artikel 28, onder a, onmogelijk maken dan wel
een gemeenschappelijke voorziening als bedoeld in artikel 28, onder a, niet aanwezig is.
Hoofdstuk 5.
Artikel 30.
Wanneer een individuele voorziening
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning