Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6, van de wet kan voor de in artikel 33, onder b en c, vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling een onvoldoende compensatie bieden.
Hoofdstuk 6.
Artikel 35.
Wanneer een individuele voorziening
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning