Er hoeft geen taaltoets te worden afgenomen wanneer:
Vastgesteld kan worden dat elke vorm van verwijtbaarheid, als bedoeld in artikel 4, ontbreekt
Tijdens een vorige uitkeringsperiode al een toets is afgenomen en is vastgesteld dat uitkeringsgerechtigde de Nederlandse taal beheerst.
Tijdens een vorige uitkeringsperiode al een toets is afgenomen en is vastgesteld dat uitkeringsgerechtigde de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, maar ook is vastgesteld dat door in de persoon gelegen factoren de uitkeringsgerechtigden niet is staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden.
Uitkeringsgerechtigden die een uitkering hadden in een andere gemeente en in die gemeente al een toets hebben afgelegd. De toetsresultaten kunnen worden overgenomen, tenzij deze onvoldoende zekerheid bieden over de actuele taalvaardigheid.
Bij uit zijn aard kortdurende bijstand. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij op handen
zijnde emigratie of bij een ongeneeslijke terminale ziekte.