Naar hoofdinhoud

Artikel 15

Recht op een standplaats

Onderdeel van Standplaatsenbeleid 2016

1.. Het recht op een standplaats vervalt: op eigen verzoek; bij overlijden of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder; bij wanbetaling, waarbij de wanbetaler tevens niet in aanmerking kan komen voor een andere standplaats, zolang het verschuldigde bedrag niet is voldaan; als niet binnen één maand na afloop van de geldigheid van de lopende vergunning een aanvraag is gedaan voor verlenging van de standplaatsvergunning. 2.. Bij overlijden of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de vergunning overgeschreven op de (achterblijvende) echtgenoot, de geregistreerde partner of de levenspartner van de vergunninghouder. Een verzoek hiervoor moet binnen 8 weken na het overlijden of nadat blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld, bij burgemeester en wethouders worden ingediend. Als de verzoeker, bedoeld in de vorige zin, rechthebbende is op een andere standplaats binnen de gemeente of is ingeschreven op de wachtlijst voor een andere standplaats, verliest deze het recht op die standplaats respectievelijk die inschrijving. 3.. Als de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het tweede lid, kan een kind van de vergunninghouder een vaste plaats krijgen, als hij tenminste drie jaar in loondienst van het bedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd. 4.. Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel.

Rechtspraak bij dit artikel