Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag,
houtopstanden te vellen of doen vellen.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:
houtopstand die moet worden geveld krachtens de
Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het
bevoegd gezag;
het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als
noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering
van het reguliere onderhoud;
het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan houtopstand.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden
als bedoeld in artikel 15 Boswet zijnde:
wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs
landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren
of wilgen, tenzij deze zijn geknot;
vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen
als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder
bestemde terreinen;
kweekgoed;
houtopstand niet staande in een erf of tuin en gelegen
buiten de bebouwde kom, mits deze houtopstand een
zelfstandige eenheid vormt die:
ofwel een grotere oppervlakte beslaat dan 10
are;
ofwel bestaat uit rijbeplanting van meer dan 20
bomen, gerekend over het totale aantal rijen.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:
schubconiferen behorend tot de soort:
Chamaecyparis
(schijncypres);
xCupressocyparis
(leylandcypres);
Platycladus (Japanse
levensboom);
Thuja (levensboom);
Thujopsis (Hiba cypres).
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden
die staan op percelen kleiner dan 350 m2, mits het
perceel niet is gelegen in een beschermd dorpsgezicht als bedoeld in
artikel 35 Monumentenwet 1988.
Het bevoegd gezag kan indien houtopstand direct gevaar oplevert die
noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning
voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt daarna
zo spoedig mogelijk schriftelijk bekend gemaakt.