Het bevoegd gezag kan de vergunning intrekken indien:
blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend en er op grond van de juiste of volledige gegevens een ander besluit zou zijn genomen;
blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in artikel 10 van deze verordening niet naleeft;
de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;
binnen achttien maanden na onherroepelijk worden van de vergunning geen begin met de werkzaamheden waarvoor de vergunning is verleend, is gemaakt.