1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur
ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid
eveneens ten aanzien van andere door de gemeenteraad aan te wijzen
openbare plaatsen.
HOOFDSTUK 3
Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels,
straatprostitutie e.d.
Afdeling 1
Begripsbepalingen
Artikel 3:1 Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
prostitutie: het zich beschikbaar stellen
tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander
tegen vergoeding;
prostituee:
degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van
seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
seksinrichting: de voor het publiek
toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in
een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen
worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische
aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk
geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf
waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan
niet in combinatie met elkaar;
privéhuis: een
seksinrichting die alleen op afspraak te bezoeken is;
escortbedrijf: de natuurlijke persoon,
groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in
een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt
die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
uitgeoefend;
sekswinkel: de voor het publiek
toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen
van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
worden verkocht of verhuurd;
exploitant: de natuurlijke persoon of
personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een
seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot
vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
bevoegde natuurlijke persoon of personen;
beheerder: de natuurlijke persoon of
personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent
in een seksinrichting of escortbedrijf;
bezoeker: degene die aanwezig is in een
seksinrichting, met uitzondering van:
de exploitant;
de beheerder;
de prostituee;
het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
6.2;
andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd
bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor
het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven
als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de
burgemeester.
Artikel 3:3 Nadere regels
Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het
college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit
hoofdstuk nadere regels vaststellen.
Afdeling 2 Seksinrichtingen,
straatprostitutie, sekswinkels
e.d.
Artikel 3:4 Seksinrichtingen en
escortbedrijven
Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf
te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van
het bevoegd bestuursorgaan.
Het is verboden een seksinrichting te exploiteren in
door het college aangewezen gebieden of delen van de
gemeente.
3. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt
in ieder geval vermeld:
de persoonsgegevens van de exploitant;
de persoonsgegevens van de beheerder;
de aard van de seksinrichting of het
escortbedrijf;
het aantal werkzame prostitué(e)s;
de plaatselijke en kadastrale ligging van de
inrichting door middel van een situatietekening met
een schaal van tenminste 1:1000;
de plattegrond van de inrichting door middel van een
tekening met een schaal van tenminste 1:100;
bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd
is tot het gebruik van de ruimte waarin hij
voornemens is de inrichting te exploiteren.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3
van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) niet van toepassing.
De vergunning is persoonsgebonden.
Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en
beheerder
De exploitant – indien een rechtspersoon: de tot
vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
natuurlijke perso(o)n(en) - en de beheerder:
staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
ouderlijke macht of de voogdij;
zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
en
hebben de leeftijd van eenentwintig jaar
bereikt.
Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de
exploitant – indien een rechtspersoon: de tot
vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
natuurlijke perso(o)n(en) - en de beheerder
niet:
met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst
of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek
van Strafrecht ter beschikking gesteld;
binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk
veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf
van zes maanden of meer door de rechter in
Nederland, inclusief de drie openbare lichamen
Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en
Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens
een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
toegelaten;
binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld
tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of
meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding
van:
bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de
Wet arbeid vreemdelingen;
de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242
tot en met 249, 252, 250a (oud), 250, 273a, 300 tot
en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453
van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
Wegenverkeerswet 1994;
de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b
van de Wet op de kansspelen;
de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
weerkorpsen;
de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
munitie.
Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid
wordt gelijk gesteld:
vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de
geldsom minder dan 375 euro bedraagt;
een bevel tot tenuitvoerlegging van een
voorwaardelijke straf.
De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
wordt:
bij de weigering van een vergunning teruggerekend
vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de
vergunning;
bij de intrekking van een vergunning teruggerekend
vanaf de datum van de intrekking van deze
vergunning.
De exploitant – indien een rechtspersoon: de tot
vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
natuurlijke perso(o)n(en) - of de beheerder is
binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of
beheerder geweest van een seksinrichting of
escortbedrijf die voor ten minste een maand door het
bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de
vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is
ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake
geen verwijt treft.
Artikel 3:6 Sluitingstijden
Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers
geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten
of te laten verblijven tussen 03.00 en 10.00
uur.
Het bevoegd orgaan kan door middel van een
voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een
afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden
vaststellen.
Het is bezoekers van een seksinrichting verboden
zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die
seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede
lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid,
gesloten dient te zijn.
Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde
geldt niet voorzover in de daarin geregelde
onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet
milieubeheer gebaseerde voorschriften.
Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden;
(tijdelijke) sluiting
Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid,
genoemde belangen of in geval van strijdigheid met
de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd
bestuursorgaan:
tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6,
eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren
vaststellen;
van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
bevelen.
Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de
Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd
bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde
besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42
Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door
exploitant en beheerder
Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers
geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel
3:4 op de vergunning vermelde exploitant of
beheerder in de seksinrichting aanwezig is.
De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op
toe dat in de seksinrichting:
geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in
ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV
(misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen
de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII
(diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van
het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de
Wet wapens en munitie; en
geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
Artikel 3:9 Straat- en raamprostitutie
Het is verboden op of langs wegen dan wel vanuit een
pand, zichtbaar vanaf de openbare weg, door
handelingen, houding, woord, gebaar of op andere
wijze, te trachten als prostitué(e) passanten tot
prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan
te lokken.
Met het oog op de naleving van het in het eerste lid
gestelde verbod, kan door politieambtenaren het
bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een
bepaalde richting te verwijderen.
Met het oog op de in artikel 3:13 tweede lid
genoemde belangen kan door politieambtenaren aan
personen die zich bevinden op de wegen als bedoeld
in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich
onmiddellijk in een bepaalde richting te
verwijderen.
Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid,
genoemde belangen kan de burgemeester personen aan
wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als
bedoeld in het tweede of derde lid, bij besluit
verbieden zich gedurende bij dat besluit bepaalde
termijn en aangegeven tijden, anders dan in een
openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan
de wegen als bedoeld in het eerste lid.
De burgemeester beperkt het in het vierde lid
genoemde verbod indien dat in verband met de
persoonlijke omstandigheden van betrokkene
noodzakelijk is.
Het is verboden zich te gedragen in strijd met een
door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in
het vierde lid.
Artikel 3:10 Sexwinkels (vervallen)
Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen
van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen
e.d.
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak
verboden daarin of daarop goederen, opschriften,
aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan
te brengen:
indien het bevoegd bestuursorgaan aan de
rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de
openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar
brengt;
anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of
de woon- en leefomgeving gestelde regels.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of
aanbrengen van goederen, opschriften,
aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de Grondwet.
Afdeling 3
Beslissingstermijn,
weigeringsgronden
Artikel 3:12 Beslissingstermijn
Het bevoegde bestuursorgaan neemt het besluit op de
aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:4,
eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de
aanvraag ontvangen is.
Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn besluit voor
ten hoogste 12 weken verdagen.
Artikel 3:12a Geldigheidsduur
Een vergunning als bedoeld in artikel 3:4 heeft een
geldigheidsduur van drie jaar.
Uiterlijk 8 weken voor het verstrijken van de
hierboven genoemde termijn dient de vergunninghouder
een nieuwe aanvraag als bedoeld in artikel 3:4
ingediend te hebben.
Artikel 3:13 Weigeringsgronden
De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste
lid, wordt geweigerd indien:
de exploitant of de beheerder niet voldoet aan
de in artikel 3:5 gestelde eisen;
de vestiging of de exploitatie van de
seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is
met een geldend bestemmingsplan,
stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;
er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting
of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of
zullen zijn in strijd met artikel van het Wetboek
van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet
arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
bepaalde.
Voor seksinrichtingen en in Nederland
gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het
bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in
artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel
de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel
3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang
van:
de openbare orde;
het voorkomen of beperken van overlast;
het voorkomen of beperken van aantasting van
het woon- en leefklimaat;
de veiligheid van personen of goederen;
de verkeersvrijheid of -veiligheid;
de gezondheid of zedelijkheid;
de arbeidsomstandigheden van de
prostituee;
als de aangevraagde locatie niet voldoet aan
overige door het college van burgemeester en
wethouders ingevolge artikel 3:3 gestelde nadere
regels.
Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging
beheer
Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie
De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4
op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie
van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk
heeft beëindigd.
Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
exploitatie, geeft de exploitant daarvan
schriftelijk kennis aan het bevoegd
bestuursorgaan.
Artikel 3:15 Wijziging beheer
Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1
onder h, het beheer in de seksinrichting of het
escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de
exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke
beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
het bevoegd bestuursorgaan.
Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe
beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op
aanvraag van de exploitant heeft besloten de
verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in
het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van
overeenkomstige toepassing.
In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede
lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een
nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag
als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend,
totdat over de aanvraag is besloten.
Afdeling 5
Overgangsbepaling
Artikel 3:16 Overgangsbepaling (vervallen)
HOOFDSTUK 4
Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en
zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1
Geluidhinder en
verlichting
Artikel 4:1 Begripsbepalingen
Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
milieubeheer;
inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
Besluit;
houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
drijft;
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
behorende bij de betreffende inrichting;
geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
behorende bij de betreffende inrichting;
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
versterkt.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve
festiviteiten
De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17,
2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door
het college per jaar aan te wijzen collectieve
festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
dagen of dagdelen. Het jaar loopt van 1 april tot en
met 31 maart.
De beperking met betrekking tot de verlichting ten
behoeve van sportbeoefening op sportterreinen,
artikel 4.110 lid 1 van het Besluit, geldt niet voor
door het college per jaar aan te wijzen collectieve
festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
dagen of dagdelen.
In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en
tweede lid, kan het college bepalen dat de
aanwijzing slechts geldt in één of meer van de 17
dorpen van de gemeente.
Het college maakt de aanwijzing voor het begin van
een nieuw jaar bekend. Als de precieze datum van een
collectieve festiviteit nog niet bepaald is, wordt
de festiviteit zonder datum bekend gemaakt. De datum
wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.
Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
redelijkerwijs niet te voorzien was, festiviteiten
terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in
het eerste lid aanwijzen.
Op de collectieve dagen geldt de mogelijkheid om
meer mechanisch of akoestisch muziekgeluid te mogen
produceren alleen voor het bebouwde gedeelte van de
inrichting en niet voor het terras.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid moeten
ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens
voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of
goederen.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het
ten gehore brengen van muziek een half uur vóór de
vastgestelde beëindigingstijd van de muziek te
worden teruggebracht naar de grenswaarden uit het
Activiteitenbesluit.
Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele
festiviteiten
1.Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
festiviteiten per jaar te houden waarbij de geluidsnormen
als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
Besluit niet van toepassing zijn mits de houder van de
inrichting ten minste 10 werkdagen voor de aanvang van de
festiviteit het college daarvan in kennis heeft
gesteld.
2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12
incidentele festiviteiten per jaar de verlichting langer aan
te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
4.110 lid 1 van het Besluit niet van toepassing is, mits de
houder van de inrichting tenminste 10 werkdagen voor de
aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis
heeft gesteld.
Er is een (digitaal) standaardformulier voor het
doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste
en tweede lid.
De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn
gedaan wanneer het in het derde lid bedoelde
formulier, volledig en naar waarheid ingevuld,
tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier
vermeld.
De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan
wanneer het college op verzoek van de houder van een
inrichting een incidentele festiviteit, die
redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond
toestaat.
Op de individuele dagen geldt de mogelijkheid om
meer mechanisch of akoestisch muziekgeluid te mogen
produceren alleen voor het bebouwde gedeelte van de
inrichting en niet voor het terras.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid moeten
ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens
voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of
goederen.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het
ten gehore brengen van muziek een half uur vóór de
vastgestelde beëindigingstijd van de muziek te
worden teruggebracht naar de grenswaarden uit het
Activiteitenbesluit.
Het ongebruikt laten van een collectieve dag
betekent niet dat het aantal individuele dagen
evenredig toeneemt. Uitwisselen tussen collectieve
dag en individuele dagen is niet toegestaan.
Artikel 4:4 Verboden incidentele
festiviteiten
Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren,
toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen,
indien:
de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het
bepaalde in artikel 4:3 is gedaan;
gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij
de kennisgeving als bedoeld in artikel 4:3 zijn
verstrekt;
de houder van de inrichting verzuimt te doen of na
te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden
om overmatige hinder te voorkomen;
de burgemeester het organiseren van een incidentele
festiviteit verboden heeft, wanneer naar zijn
oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van
de inrichting en/of de openbare orde op
ontoelaatbare wijze worden beïnvloed.
Artikel 4:5 Onversterkte muziek (niet
opgenomen)
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
Het is verboden buiten een inrichting in de zin van
de Wet milieubeheer of
van het Besluit op een
zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in
werking te hebben of handelingen te verrichten dat
voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder
wordt veroorzaakt.
Het college kan van het verbod ontheffing
verlenen.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3
van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) niet van toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare
manifestaties, het Vuurwerk-besluit of de
Provinciale milieuverordening Friesland.
Artikel 4:6a Mosquito
In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan:
een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare,
hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel
groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij
overlast veroorzaken.
In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de
burgemeester in het belang van de openbare orde
besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te
brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren
op die plaats.
De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk
kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is
aangebracht.
Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen
dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.
Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van
ten hoogste 3 maanden. De burgemeester kan die
periode telkens met een periode van ten hoogste 3
maanden verlengen.
Hoofdstuk › Afdeling 15
Artikel 2:77
Cameratoezicht op openbare plaatsen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Tytsjerksteradiel 2015
Verwijzingen
- Artikel 4
- artikel 3
- Artikel 4
- artikel 4
- artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 3
- artikel 6
- Artikel 3
- artikel 76
- artikel 7
- artikel 151c van de Gemeentewet
- artikel 3
- artikel 74
- Artikel 3
- Artikel 3
- artikel 3
- Artikel 4
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 3
- Artikel 3
- artikel 3
- Artikel 3
- artikel 4
- artikel 3
- artikel 6
- Artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 3
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 3
- Artikel 3
- artikel 174 van de Gemeentewet
- artikel 1
- Artikel 3
- artikel 3
- Artikel 3
- artikel 3
- artikel 9
- artikel 3
- artikel 1
- artikel 3
- artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 4
- artikel 8
- artikel 3
- artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 4
- Artikel 3
- artikel 3
- artikel 67
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 4