In deze afdeling wordt verstaan onder:
voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens,
kinderwagens en rolstoelen;
parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
1990).
Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
e.d.
1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf
dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te
stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te
verhandelen, verboden:
drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een
cirkel met een straal van met als middelpunt een van
deze voertuigen;
de weg als werkplaats voor voertuigen te
gebruiken.
2.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt
mede verstaan:
het gebruiken van een voertuig voor het geven van
lessen;
het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren
van personen tegen betaling.
Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel
worden niet gerekend:
voertuigen waaraan herstel- of
onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in
totaal niet meer dan een uur vergen, en dit
gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt
voor deze werkzaamheden;
voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in
het eerste lid bedoelde persoon.
Het college kan ontheffing van het verbod
verlenen.
Op de ontheffing is paragraaf
4.1.3.3 van de Algemene wet
bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
(vervallen)
Artikel 5:4 Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere
dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden
gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de
weg te parkeren.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken
Het is verboden een voertuigwrak op de weg te
plaatsen of te hebben.
Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en
tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand
verkeert.
Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
milieubeheer.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.
Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen,
caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen,
keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de
recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede
voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd
langer dan op 5 achtereenvolgende dagen te laten
staan op een door het college aangewezen weg, waar
dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op
de verdeling van beschikbare parkeerruimte of
schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
gemeente.
De rechthebbende op een voertuig als genoemd in lid
1 wordt geacht op dezelfde plaats te zijn gebleven
indien het voertuig binnen een straal van -
hemelsbreed gemeten - gerekend vanaf de in lid 1
bedoelde plaats wordt aangetroffen.
Het is de rechthebbende op een voertuig als genoemd
in lid 1 verboden het voertuig binnen vijf dagen
nadat het is verplaatst, opnieuw neer te zetten op
de in lid 1 bedoelde plaats.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het
eerste lid gestelde verbod.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3
van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) van toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door het
Provinciaal wegenreglement Fryslân of de Provinciale
landschapsverordening Fryslân.
Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen of
vaartuigen
Het is verboden een voertuig of een vaartuig dat is
voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op
de weg te parkeren of te plaatsen met het kennelijk
doel om daarmee handelsreclame te maken. Onder
handelsreclame wordt mede verstaan het te koop of te
huur aanbieden van een voertuig of een
vaartuig.
Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3
van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) van toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
de lading, een lengte heeft van meer dan of een
hoogte van meer dan te parkeren op een door het
college aangewezen plaats, waar dit naar zijn
oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
de gemeente.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
de lading, een lengte heeft van meer dan te parkeren
op een door het college aangewezen weg, waar dit
parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het
oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op
werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks
van 08.00 tot 18.00 uur.
Het verbod in het tweede lid is voorts niet van
toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en
kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet
langer dan 5 achtereen-volgende dagen op de weg
worden geplaatst of gehouden.
Het college kan van de in het eerste en tweede lid
gestelde verboden ontheffing verlenen.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3
van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) van toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende
voertuigen
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
lading, een lengte heeft van meer dan of een hoogte
van meer dan , op de weg te parkeren bij een voor
bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw
op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van
bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins
hinder of overlast wordt aangedaan.
Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is
voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het
voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met
stankverspreidende stoffen (vervallen)
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door
voertuigen
Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te
rijden door dan wel deze te doen of te laten staan
in een park of plantsoen of een van gemeentewege
aangelegde beplanting of groenstrook.
Dit verbod is niet van toepassing:
op de weg;
op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de
overheid;
op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is
ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor
dit doel zijn bestemd.
Het college kan van het verbod ontheffing
verlenen.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3
van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) niet van toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets
Het is verboden om fietsen of bromfietsen, in
het belang van het uiterlijk aanzien van de
gemeente, ter voorkoming of opheffing van
overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de
openbare gezondheid, in door het college van
burgemeester en wethouders aangewezen gebieden op
de weg te laten staan buiten de daarvoor bestemde
ruimten of vakken.
Het is verboden fietsen of bromfietsen die
rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en
in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg
te laten staan.
Het is verboden om fietsen of bromfietsen, in
het belang van het beheer van de openbare ruimte,
langer dan vier weken onafgebroken in door het
college van burgemeester en wethouders aangewezen
openbare (brom -) fietsstallingsgebieden te
stallen.
Afdeling 2
Collecteren
Artikel 5:13 Inzameling van geld of
goederen
Het is verboden zonder vergunning van het
college een openbare inzameling van geld of
goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan
te bieden.
Onder een inzameling van geld of goederen
wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van
goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven
of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
diensten aanvaarden van geld of goederen, indien
daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt
gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor
een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
voor een inzameling die in besloten kring gehouden
wordt.
Het college kan onder door hem te stellen
voorschriften vrijstelling verlenen van het in het
eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die
gehouden worden door daarbij aangewezen
instellingen.
Op de vergunning is paragraaf
4.1.3.3 van de Algemene wet
bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) van
toepassing.
De vergunning is persoonsgebonden.