Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 5

Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheid bij of in gebouwen

Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheid bij of in gebouwen

Onderdeel van Bouwverordening

1.. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s, vrachtauto’s en fietsen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of bewoning van het gebouw. 2.. Voor nieuwe functies en voor uitbreidingen van bestaande functies worden in een bijlage bij deze verordening bruikbaarheidsvereisten en normen gegeven waarbij voor het parkeren of stallen van auto’s rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van uitwisseling van parkeerplaatsen, de bereikbaarheid per openbaar vervoer en het beschikken over een vervoerplan. 3.. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 4.. Indien ten behoeve van het stallen of parkeren van auto’s, in, op of onder een gebouw ruimte wordt aangebracht, zoals bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het gestelde in de NEN 2443, uitgave april 2000. 5.. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en derde lid: indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Rechtspraak bij dit artikel