1.De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg met de fractievoorzitters bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad aangewezen.
2.Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg met de fractievoorzitters.
3.De voorzitter wijst een zitplaats aan voor de wethouders, de secretaris en anderen die voor de raadsvergadering zijn uitgenodigd.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2.
Artikel 12.