1 De vergunning kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken indien:
a blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 9, tweede lid, niet naleeft;
c de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;
d niet binnen vijf jaar van de vergunning gebruik wordt gemaakt.
2 De beschikking tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de monumentencommissie.