Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Afbouw:

Onderdeel van Vergoedingsregeling inconveniënten

1.. Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in deze verordening een blijvende verlaging ondergaat van ten minste 2%, wordt een aflopende vergoeding toegekend mits hij de inconveniëntentoelage direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. 2.. De berekeningsbasis voor de vaststelling van de overgangstoelage is het verschil tussen de inconveniëntentoelage, welke de ambtenaar gemiddeld 12 maanden voorafgaande aan de beëindiging c.q. vermindering heeft genoten en de eventuele inconveniëntentoelage welke hij daarna gaat genieten. 3.. De duur van de overgangstoelage is gelijk aan één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de inconveniëntentoelage zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten met een maximum van 36 maanden. Bij het berekenen van het aantal maanden vindt een afronding naar boven op een geheel aantal maanden. De overgangsperiode wordt in drie gelijke delen gesplitst. 4.. De overgangstoelage bedraagt tijdens in lid 3 bedoelde drie delen van de overgangsperiode respectievelijk 75%, 50% en 25% van de berekeningsbasis. 5.. De ambtenaar die de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt behoudt het recht op een inconveniëntentoelage mits hij de inconveniëntentoelage direct voorafgaande aan het tijdstip tenminste twee jaar heeft genoten.

Rechtspraak bij dit artikel