**1..** De aanwijzing van de plaats van het graf geschiedt met inachtneming van het bepaalde in artikel 12 door de beheerder;
Tot de begraving of bijzetting wordt niet overgegaan dan nadat:
**2..** Tot de begraving of bijzetting wordt niet overgegaan dan nadat:
de beheerder, indien deze heeft geconstateerd dat aan de in de artikelen 15, 16 en 17 opgenomen vereisten is voldaan, hiervoor opdracht aan het personeel van de begraafplaats heeft verleend;
alleen bij begraving van een stoffelijk overschot, het personeel van de begraafplaats de identiteit van het stoffelijk overschot heeft vastgesteld door vergelijking van het op de kist of een ander lijkomhulsel vermelde registratienummer met dat op een bijgevoegd document dat tevens de namen, overlijdens- en geboortedatum van de overledene dan wel de geslachtsnaam van de levenloos geborene bevat.
**3..** Bij het delven van een graf dient de vrijgekomen grond te worden afgevoerd naar een locatie buiten het zicht van de bezoekers van de begrafenis.
**4..** De ontgraven grond als bedoeld bij het delven van een graf bij lid 3 dient bij het sluiten van het graf weer aangevoerd te worden. Overtollige grond dient te worden afgevoerd naar een locatie op aanwijzing van de beheerder van de begraafplaats.
Hoofdstuk
Artikel 18