In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Artikel 4:37 Awb bepaalt dat de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekendgemaakt kan worden door het opleggen van verplichtingen ter zake.
Evenals bij de aanvraag tot verlening van een subsidie kunnen ook voor de indiening van een aanvraag tot vaststelling van een subsidie formulieren worden voorgeschreven.
Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd en dat moet worden ingegaan op de mate waarin de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd. Dit volgt ook uit het eerste lid van artikel 4:45 Awb. Daar is geregeld dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling moet worden aangetoond dat de activiteiten hebben plaatsgevonden en dat dit ook volgens de aan de subsidie verbonden verplichtingen is gebeurd.
Verder is bepaald dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling rekening en verantwoording moet worden afgelegd over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten.
Vooraf moet al door de subsidieverstrekker zijn aangegeven op welke manieren dit kan plaatsvinden. Er kunnen verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken, bijvoorbeeld een publicatie.
Artikel 3 van de ASA biedt het college de mogelijkheid om nadere regels vast te stellen over de gegevens en stukken die bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie moeten worden verstrekt. Denkbaar is dat het college bepaalt dat het voor de verantwoording van een subsidie genoegen neemt met stukken en bewijzen die in het kader van de bedrijfsvoering van de subsidieontvanger al worden opgesteld.
Te denken valt aan de verslagen die rechtspersonen al dienen op te stellen en die naar gelang van de hoedanigheid van de betreffende rechtspersoon verschillen.
Waar het om gaat, is te voorkomen dat subsidieontvangers speciale stukken met andere verantwoordingsmethoden moeten opstellen dan zij gebruikelijk al doen. Zo kan uit een algemeen jaarverslag genoegzaam blijken, dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt.
Voor kleinere subsidies is er de mogelijkheid om andere bewijsmiddelen te verlangen dan de gebruikelijke. Zo zou in het geval van subsidie voor een speeltoestel kunnen worden volstaan met het opsturen van een foto daarvan.
Voor subsidies hoger dan € 50.000 wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies, namelijk op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten.
Als gevolg van het van toepassing verklaren van afdeling 4.2.8 van de Awb is het niet nodig om in de verordening gedetailleerd op te nemen aan welke eisen de verantwoording dient te voldoen. In de Awb is bijvoorbeeld al geregeld dat bij een aanvraag tot vaststelling van de subsidie een financieel verslag (of indien de ontvanger daartoe op grond van het Burgerlijk Wetboek verplicht is een jaarrekening) en activiteitenverslag moeten worden gevoegd en dat het financieel verslag moet worden gecontroleerd door een accountant. Die accountant moet een onderzoek uitvoeren als bedoeld in artikel 2:393 BW. Dit betekent dat de accountant moet onderzoeken of het financiële verslag voldoet aan de bij of krachtens wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag met het financiële verslag verenigbaar is. Hier wordt dan ook naar die bepalingen uit de Awb verwezen. De belangrijkste eisen voor de vaststelling van de subsidie bevinden zich in de artikelen 4:75 (activiteitenverslag en financieel verslag dan wel jaarrekening), 4:76 en 4:77 (inhoud financieel verslag), 4:78 (accountantscontrole) en 4:80 (inhoud activiteitenverslag).
In het derde lid wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheid die de Awb in artikel 4:77 biedt om artikel 4:76 Awb bij wettelijk voorschrift van toepassing te verklaren als de subsidieontvanger zijn inkomsten in overwegende mate aan de subsidie ontleent. Geregeld is dat de nadere eisen die artikel 4:76 Awb aan een financieel verslag stelt van toepassing zijn als de subsidieontvanger voor meer dan de helft van zijn inkomsten van de subsidie afhankelijk is. Bij het verlenen van de subsidie wordt vastgesteld of dit het geval is. Het college kan hiervan in individuele gevallen afwijken als de subsidieontvanger (hoge) subsidiebedragen ontvangt zonder hiervan voor meer dan de helft afhankelijk te zijn.
In het vierde lid is geregeld dat een controleverklaring niet nodig is als een subsidie van € 125.000 of minder is verleend. Daarmee wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:78, vijfde lid, Awb biedt om vrijstelling te verlenen van de verplichting een controleverklaring in te dienen.
In het vijfde lid wordt afgeweken van artikel 2, tweede lid, waarin afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op grote eenmalige subsidies. Onverkorte toepassing van deze afdeling in concrete gevallen kan ertoe leiden dat een jaarrekening zou moeten worden overgelegd op een moment dat deze nog niet voorhanden kan zijn.
Omdat het eerste lid van artikel 4:75 van de Awb wel van toepassing blijft, is de aanvrager verplicht om in ieder geval een activiteitenverslag en een financieel verslag in te dienen.
Het zesde lid maakt het mogelijk om een controleverklaring te vragen als een subsidieaanvrager van het college binnen één kalenderjaar verschillende subsidies ontvangt die tezamen de grens van € 125.000 overschrijden.
Hiermee kan worden bewerkstelligd dat in gevallen waarin de afzonderlijke subsidieverleningen niet los van elkaar kunnen worden gezien, toch een controleverklaring kan worden gevraagd.