Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet, of artikel 38 van het Bbz, niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:
twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;
twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;
dertig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;
honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.
Hoofdstuk 4.
Artikel 14.