Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen (inrichting als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c van de Wet op de kansspelen);
exploitatievergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2, lid 1 van de “Verordening speelautomatenhallen gemeente Bergen 2003” (door burgemeester te verlenen vergunning) voor de vestiging of de exploitatie van een speelautomatenhal;
aanwezigheidsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen (op grond van mandaat burgemeester, door de Districtchef van de politie Noord-Kennemerland te verlenen vergunning) voor het aanwezig hebben van speelautomaten;
vergunninghouder: aanvrager exploitatievergunning, tevens de natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert;
beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast;
“pré-Nijpels” kansspelautomaten: speelautomaten ”oude stijl”, dat wil zeggen de kansspelautomaten die vóór de herziening van de Wet op de kansspelen (per 1 juni 2000) ook mochten worden opgesteld in de “losse locaties” (hoogdrempelige inrichtingen). Deze automaten voldoen niet aan de “Nijpels” normen;
meerspelers: kansspelautomaten waarop met meer dan één speler tegelijk kan worden gespeeld;
spelersplaatsen: het aantal plaatsen dat per kansspelautomaat voor spelers beschikbaar is. Dat aantal varieert, afhankelijk van het soort automaat.
Hoofdstuk
Artikel 1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Nadere regels voor exploitatievergunningen en aanwezigheidsvergunningen