Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 12.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Horst aan de Maas

1.. Indien een belanghebbende tekortschietende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een verlaging toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging ten onrechte bijstand heeft ontvangen. 2.. Behoudens, artikel 2, tweede lid, van deze verordening, wordt de verlaging als bedoeld in het eerste lid op de volgende wijze vastgesteld: bij een periode van 3 maanden of korter: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand; bij een periode van 3 tot 6 maanden: 10% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden; bij een periode van 6 maanden en langer: 10% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden. 3.. In afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt de verlaging bij onverantwoord besteden van vermogen: bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10% van de bijstandsnorm; bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van de bijstandsnorm; bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van de bijstandsnorm; bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de bijstandsnorm. 4.. De verlaging als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, bestaande in het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar uit ’s rijks kas bekostigd onderwijs te onderzoeken gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de wet, bedraagt 50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel