Indien een voorziening moet worden ingezet, wordt gekeken naar de inzet van algemene voorzieningen. Zijn deze niet aanwezig of bieden ze geen of onvoldoende oplossing, dan kan (aanvullend daarop) een maatwerkvoorziening worden ingezet. Bij de inzet van de algemene voorziening mag het college rekening houden met het belang om een algemene voorziening in stand te houden. Bij een maatwerkvoorziening wordt gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen. We kiezen voor de oplossing die adequaat is en naar objectieve maatstaven de goedkoopste is. Indien belanghebbende een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat is) komen de meerkosten voor rekening van belanghebbende.
Met ‘adequaat’ wordt gekeken naar een niveau waartoe de voorziening (voldoende) voor de cliënt bijdraagt. Het streven is om de persoon op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Van belang hierbij is de situatie van betrokkene voordat hij getroffen werd door zijn beperkingen, maar ook de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. Een aanvaardbaar niveau betekent soms ook dat de persoon zich er bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij zich enige beperkingen zal moeten getroosten. De ondersteuning die wij als gemeente bieden beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van zelfredzaamheid en participatie, en breidt zich niet uit tot wat de persoon bijvoorbeeld noodzakelijk vindt in het kader van smaak, of betekent niet per definitie dat hij alle hobby’s moet kunnen uitoefenen die hij voorheen uitoefende.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.8
Goedkoopst adequate voorziening
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2017