Naar hoofdinhoud
Het pgb dient gezien te worden als een manier waarop een toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder 1, van dit artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een pgb moet worden geboden. Onder 2. is bepaald dat de hoogte van het pgb is gekoppeld aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening. Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het pgb kan worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de instandhoudingkosten van de voorziening. Voor de diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden gegeven in het Besluit gemeente Ridderkerk, dat door het college moet worden vastgesteld. Het college bepaalt dat in het Besluit de omvang van een pgb. Het zal immers gaan om een veelheid van verschillende pgb’s voor verschillende voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit en eventuele beleidsregels. Lid 3 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het pgb in de beschikking worden vastgelegd. Het gaat om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd. In lid 3 is ook neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het pgb te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is dus een belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget. Lid 4 regelt de feitelijke betaling van het pgb. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden of in situaties waarin er twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de gemeente worden beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge terugvorderingbedragen. De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun pgbs besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is dus het college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en daarbij de afweging te maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze controle. Lid 5 regelt dat het college teveel betaalde pgb kan terugvorderen. Lid 6 regelt dat het college een vrijlating toepast. Voor het in het besluit genoemde bedrag hoeft geen verantwoording te worden afgelegd. Dat bedrag wordt niet teruggevorderd.

Rechtspraak bij dit artikel