**1..** Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
vergaderingen van een commissie een vergoeding die gelijk is aan het
bedrag, vermeld in tabel IV van het Rechtspositiebesluit raads- en
commissieleden.
**2..** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Gemeentewet
ontvangt.
**3..** Geen vergoeding ontvangt degene die:
zitting heeft in een commissie als raadslid of wethouder;
uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
wordt gesubsidieerd;
als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
dient.
**4..** De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
hogere vergoeding vaststellen, zulks tot ten hoogste 15% van het in
het eerste lid bedoelde bedrag van de vergoeding, ten aanzien van
een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor
deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en een lid van een
commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden
in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en
de omvang van de door hem te verrichten arbeid.
Hoofdstuk II
Artikel 11
Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen
Onderdeel van Verordening voorzieningen raads- en commissieleden 2010