1. De uitkering kan tijdelijk worden geweigerd naar de mate waarin de
belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de
IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek en een persoon ter zake een verwijt kan wordengemaakt, of
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een persoon
zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden,
dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
gevergd.
2. De uitkering kan blijvend worden geweigerd naar de mate waarin de
belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de
IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een persoon:
a. nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of
b. door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
HOOFDSTUK 6
Artikel 17
Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering
Onderdeel van Afstemmingsverordening 2016