1. Het dagelijks bestuur ziet af van een verlaging als:
a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of
b. de gedraging meer dan drie jaar voor constatering daarvan door het
dagelijks bestuurheeft plaatsgevonden.
2.Het dagelijks bestuur kan afzien van een verlaging als het daarvoor
dringende redenenaanwezig acht.
3.Als het dagelijks bestuur afziet van een verlaging op grond van
dringende redenen, wordteen belanghebbende hiervan schriftelijk op de
hoogte gesteld.