Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 13.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in het kader van de IOAZ

Onderdeel van Maatregelverordening IOAW en IOAZ gemeente Arnhem

1.. Indien de belanghebbende zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering op grond van de IOAZ of nadien onvoldoende heeft ingezet voor de voorziening in het bestaan, anders dan de gedragingen, bedoeld in hoofdstuk 2 of 3, wordt een maatregel opgelegd van 20% van de grondslag. 2.. De duur van de maatregel wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, op de volgende wijze afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging langer recht heeft op een IOAZ-uitkering: a.. bij een periode van 3 maanden of korter: 20% van de grondslag gedurende een maand; b.. bij een periode van 3 tot 6 maanden: 20% van de grondslag gedurende drie maanden; c.. bij een periode van 6 maanden tot 12 maanden: 20% van de grondslag gedurende zes maanden; d.. bij een periode van 12 maanden of langer: 20% van de grondslag gedurende 12 maanden. De hoogte van de maatregel wordt verdubbeld, indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel, als bedoeld in het eerste lid, is opgelegd, sprake is van een zelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit als bedoeld in het vorige lid wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 5, tweede lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel