De opsporing van de in artikel 26 strafbaar gestelde feiten is,
naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het bevoegd gezag
met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder
voor zover het feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.