In het belang van de archeologische monumentenzorg kan worden bepaald dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in artikel 16, lid 1 een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat volgens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
Aan de vergunning als bedoeld in artikel 16 lid 1 kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; of
de verplichting tot het doen van opgravingen; of
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg; of
de verplichting voor de opdrachtgever om de offertes aan de gemeente voor te leggen ter toetsing aan het Programma van Eisen en het Plan van aanpak.