Indien gehuwden in hun woning één kostganger hebben, of verhuren aan één onderhuurder, vindt een verlaging plaats op de norm voor gehuwden van 10 procent van het minimumloon. Deze verlaging kan tezamen met de verlaging van lid 2 plaatsvinden.
Indien gehuwden in een woning wonen met één of meer bloedverwanten in de eerste graad waarvan tenminste één geen inkomensafhankelijk kind is, vindt een verlaging plaats op de norm voor gehuwden van 10 procent van het minimumloon.
Indien de bloedverwant in de eerste graad, bedoeld in lid 2, verzorgingsbehoeftig is of de verzorgingsbehoeftige gehuwde(n) verzorgt, blijft de verlaging van lid 2 achterwege.