Ambtenaren met een tijdelijke aanstelling dan wel arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:4 en 2:5 van de CAR/UWO kunnen, als de grond van de tijdelijkheid van de aanstelling danwel arbeidsovereenkomst is gelegen in de tijdelijkheid van het werk, slechts rechten ontlenen aan de bepalingen van dit sociaal statuut voor de duur van hun tijdelijke aanstelling c.q. dienstverband.