Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6 › Paragraaf 1

Artikel 6.1

Individuele woonvoorziening

Onderdeel van Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Arnhem januari 2010

Een individuele woonvoorziening bestaat uit: een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten, zoals bedoeld in artikel 4.3 onder a van de verordening, en wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, zoals bedoeld in artikel 4.3 onder b van de verordening, en wordt verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget of als financiële tegemoetkoming; een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening, zoals bedoeld in artikel 4.3 onder c van de verordening, en wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming, een persoonsgebonden budget of in bruikleen; een uitraasruimte, zoals bedoeld in artikel 4.3 onder d van de verordening, en wordt verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget of als financiële tegemoetkoming. Paragraaf 2 Hoogte vergoeding verhuis- en inrichtingskosten Artikel 6.2 Hoogte vergoeding verhuis- en inrichtingskosten het bedrag aan verhuiskostenvergoeding als genoemd in artikel 4.3 onder a van de verordening bedraagt € 3.000,-; indien de nieuw te betrekken woning groter is dan drie kamers (woon- en twee slaapkamers), wordt een extra tegemoetkoming verstrekt van € 350,- per kamer tot een maximum van twee extra slaapkamers; indien de belanghebbende voor het eerst zelfstandig gaat wonen bedraagt de tegemoetkoming € 1.500,- en de extra tegemoetkoming € 175,- per kamer tot een maximum van twee extra slaapkamers; de verhuiskostenvergoeding, zoals genoemd in artikel 6.2 onder a, b en c, wordt betaald, indien de gemeente de nieuwe woning als adequaat heeft aangemerkt en de verhuizing binnen 12 maanden na verzending van de beschikking heeft plaatsgevonden. Paragraaf 3 Bouwkundige- en woontechnische woonvoorzieningen Artikel 6.3 Primaat van de verhuizing Indien de noodzaak tot een bouwkundige- of woontechnische woonvoorziening, zoals bedoeld in artikel 4.4.1 van de verordening vaststaat, past het college het primaat van de verhuizing toe. Het onder a. genoemde primaat houdt in, dat de belanghebbende dient te verhuizen naar een adequate woning, indien de kosten van een bouwkundige- of woontechnische aanpassing een bedrag van € 25.000,- te boven gaan. Artikel 6.4 Kosten bouwkundige- of woontechnische woonvoorziening Alleen de kosten van de navolgende bouwkundige- of woontechnische woonvoorzieningen komen voor vergoeding in aanmerking: de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten vergoed; het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1997 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen; de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is en deze meer bedragen dan € 900,-, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; de verschuldigde en niet verrekenbare- of terugvorderbare omzetbelasting; renteverlies, dat ontstaat indien de belanghebbende noodzakelijke betaling aan derden moet doen voordat tot vergoeding is overgegaan, maar uitsluitend indien deze betalingen verband houden met de bouw dan wel het treffen van bedoelde voorzieningen; de prijs van bouwrijpe grond indien de aanschaf van de grond noodzakelijk is omdat niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden; na de oorspronkelijke raming ontstane kosten, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien konden worden, mits het college schriftelijk toestemming geeft voor de uitgave van deze extra bedragen; de kosten van noodzakelijk technisch onderzoek en voor advisering over de te treffen aanpassing; de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening; de administratiekosten die de verhuurder maakt voor het treffen van een voorziening voorzover de gezamenlijke kosten onder 1 tot en met 10 meer dan € 900,- bedragen. De vergoeding bedraagt in dat geval 8% van die kosten, met een maximum van € 340,- . Artikel 6.5 Hoogte persoonsgebonden budget in verband met kosten voor het verwerven van grond Op basis van artikel 4.6 van de verordening is het mogelijk een persoonsgebonden budget te verstrekken voor het verwerven van extra grond voor een aanbouw dan wel een uitbreiding van een bestaande woning als dit op grond van lichamelijke beperkingen noodzakelijk is (zie verder bijlage 2). Artikel 6.6 Technische levensduur Indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, bedragen de maximale aanpassingskosten € 900,-. Paragraaf 4 Niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorzieningen Artikel 6.7 Hoogte persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel in de woning Het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel in de woning wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de voor de gemeente goedkoopst-adequate voorziening. Het persoonsgebonden budget wordt verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie zoals bedoeld in artikel 6.8. In een beleidsregel wordt artikel 6.7 nader uitgewerkt. Artikel 6.8 Hoogte persoonsgebonden budget voor de kosten van onderhoud, keuring en reparatie 1.Het college verleent alleen een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie, indien de desbetreffende woonvoorziening op grond van de verordening en het besluit is verleend. 2.De omvang van het persoonsgebonden budget is gebaseerd op de werkelijke kosten, maar bedraagt ten hoogste de kosten, die de gemeente betaalt aan de gecontracteerde leverancier (s) bij de aanschaf van dezelfde woonvoorziening in natura. Artikel 6.9 Hoogte kosten in verband met tijdelijke huisvesting Het college verleent een financiële tegemoetkoming in de noodzakelijke kosten van tijdelijk huisvesting die de belanghebbende moet maken i.v.m. het aanpassen van: zijn huidige woonruimte; de door de belanghebbende te betrekken tijdelijke woonruimte. De financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid onder a. en b. wordt verleend uitsluitend voor de periode dat de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en de belanghebbende als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan. Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als de belanghebbende redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij deze extra woonlasten heeft. De maximale termijn waarvoor het college een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting verleent, als bedoeld in het eerste lid, bedraagt zes maanden. Het college verleent uitsluitend een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in het eerste lid indien deze kosten zijn gemaakt voor: het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte; het tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte of het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte. Het college verleent een financiële tegemoetkoming ter hoogte van de werkelijk gemaakte kosten met een maximum van € 450,- per maand voor de kosten zoals bedoeld in het vijfde lid onder a en c en met een maximum van € 225,- per maand voor de kosten als bedoeld in het vijfde lid onder b. Artikel 6.10 Hoogte financiële tegemoetkoming in verband met huurderving 1.In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die voor meer dan € 3.630,- is aangepast, verstrekt het college aan de verhuurder van de woning een financiële tegemoetkoming in verband met derving van huurinkomsten als hij die woning weer in verhuurbare staat moet terugbrengen voor de duur van maximaal vijf maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komt. 2.De verhuurder moet de leegstand van de desbetreffende woning binnen vier weken bij de gemeente melden. 3.Er wordt geen vergoeding verstrekt, indien deze melding niet binnen vier weken na het leegkomen heeft plaatsgevonden. 4.De hoogte van de financiële tegemoetkoming, zoals bedoeld in het eerste lid, bedraagt de helft van de werkelijke kosten per maand met een maximum van € 225,- per maand. Artikel 6.11 Hoogte financiële tegemoetkoming voor de kosten van woningsanering De werkelijke kosten van woningsanering worden in beginsel vergoed tot een maximum bedrag. In de werkinstructie wordt dit nader uitgewerkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel