Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.4.

Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening en recht op een individuele vervoersvoorziening

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Diemen 2009

1.. Een persoon met beperkingen kan voor een vervoersvoorziening als genoemd in artikel 5.1 onderdeel b. tot en met i. in aanmerking worden gebracht wanneer: aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen, het gebruik en/of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken het gebruik van de collectieve vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a. geen adequate oplossing is of niet mogelijk is. 2.. Voor de in artikel 5.1 onderdeel b., c., e., g., h. en i. genoemde voorzieningen geldt, in uitzondering op het gestelde in lid 1, dat zij ook in aanvulling op het gebruik van een collectief vervoerssysteem als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a. verstrekt kunnen worden indien er sprake is van uiterst beperkte mobiliteit. 3.. Bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding voor gebruik als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel g., h. en i. kan rekening worden gehouden met de individuele vervoersbehoefte van de persoon met beperkingen en de mate waarin een collectief vervoerssysteem als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a. in die vervoersbehoefte kan voorzien.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel