**1..** Een persoon met beperkingen kan voor een vervoersvoorziening als
genoemd in artikel 5.1 onderdeel b. tot en met i. in aanmerking
worden gebracht wanneer:
aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek,
inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen,
het gebruik en/of het bereiken van het openbaar vervoer
onmogelijk maken
het gebruik van de collectieve vervoersvoorziening als
bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a. geen adequate oplossing
is of niet mogelijk is.
**2..** Voor de in artikel 5.1 onderdeel b., c., e., g., h. en i. genoemde
voorzieningen geldt, in uitzondering op het gestelde in lid 1, dat
zij ook in aanvulling op het gebruik van een collectief
vervoerssysteem als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a. verstrekt
kunnen worden indien er sprake is van uiterst beperkte
mobiliteit.
**3..** Bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding voor gebruik als
bedoeld in artikel 5.1 onderdeel g., h. en i. kan rekening worden
gehouden met de individuele vervoersbehoefte van de persoon met
beperkingen en de mate waarin een collectief vervoerssysteem als
bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a. in die vervoersbehoefte kan
voorzien.