Naar hoofdinhoud

Artikel 7.

Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid

Onderdeel van Besluit Beleidsregels Wet taaleis 2016

1.. Indien belanghebbende zich bereid heeft verklaard en zich naar oordeel van het college voldoende heeft ingespannen maar de voortgang achterblijft, wordt geoordeeld dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt indien: het college vaststelt dat belanghebbende door in de persoon gelegen factoren niet in staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden; of b.. door een educatie instelling vastgesteld wordt dat belanghebbende vanwege in de persoon gelegen factoren niet in staat is om de taal op referentieniveau 1F machtig te worden; of c.. het college ontheffing verleend van de arbeidsplicht vanwege psychische, fysieke of sociale problematiek(en), waarbij de aard van de beperking waarvoor de ontheffing is afgegeven ertoe leidt dat het bereiken van referentieniveau 1F niet haalbaar is. Indien de ontheffing op enig moment niet wordt verlengd, dan dient belanghebbende –indien van toepassing- alsnog de taaltoets af te leggen; of d.. anderszins een individuele omstandigheid aanwezig is die maakt dat het gebrek aan voortgang niet verwijtbaar is. 2.. Wanneer belanghebbende aan het einde van de vastgestelde periode, zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel c, het referentieniveau niet heeft bereikt noch de gewenste vorderingen heeft gemaakt en er door het college wordt vastgesteld dat dit niet verwijtbaar is, dan kan het college besluiten het taaltraject te stoppen en wordt dit opgenomen in het persoonsdossier. 3.. Voor de situatie zoals beschreven onder lid 2 van dit artikel hanteren we een termijn van maximaal 3 jaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel