Het college stemt de opgelegde verlaging op grond van artikel 18b lid 7 van de Participatiewet in beginsel af op de omstandigheden van belanghebbende, op de wijze die is opgenomen onder a tot en met e.
Indien het college de bijstand verlaagt conform artikel 18b lid 9, 10 of 11 van de Participatiewet, dan kan de verlaging worden stopgezet, indien belanghebbende aantoont dat hij zichzelf op een bepaald moment weer voldoende inspant en hij zich (opnieuw) bereid verklaart.
Indien de bepaling zoals onder a. van toepassing is, dan stopt de verlaging vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum dat belanghebbende zich heeft gemeld om aan te geven dat hij wederom gestart is met zichzelf in te spannen en hij dit ook heeft kunnen aantonen. Dit wordt bekrachtigd door middel van het taalplan.
Wanneer belanghebbende op enig moment, nadat hij zich bereid heeft verklaard om zich in te spannen, stopt met de inspanning, dan dient belanghebbende opnieuw mee te werken aan een taaltoets.
Onderdeel c is in beginsel niet van toepassing, indien belanghebbende binnen drie maanden na de bereidverklaring stopt met de inspanning. In dat geval wordt aangenomen dat het niveau van belanghebbende niet in die mate kan zijn verbeterd, dat het afnemen van de toets een significant beter resultaat oplevert.
De afstemming geschiedt conform artikel 18b lid 9, 10 of 11 van de Participatiewet, met dien verstande dat voor de hoogte/het percentage van de afstemming wordt aangesloten bij het aantal maanden waarover reeds een afstemming voor deze gedraging is toegepast op de uitkering, in plaats van het aantal maanden dat is verstreken tussen de bereidverklaring en de gedraging. De afstemming wordt dus pas verhoogd als de afstemming over in totaal zes dan wel twaalf maanden heeft plaatsgevonden.