Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 3

Artikel 13

Gronden voor gehele of gedeeltelijke intrekking TTO-vergunning

Onderdeel van Taxiverordening Eindhoven 2016

Het college kan een TTO-vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als: ter verkrijging van de TTO-vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, die tot een ander besluit op de aanvraag om vergunning zouden hebben geleid; de vergunninghouder in strijd handelt met een of meer bij of krachtens deze verordening gestelde regels of hieraan niet langer voldoet; de vergunninghouder de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt; de vergunninghouder de vergunning kennelijk gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend; de vergunninghouder zich schuldig maakt aan handelingen of gedragingen die ernstig afbreuk doen aan het belang van de kwaliteit van taxivervoer; de vergunninghouder geen gebruik maakt van de vergunning binnen de daarin genoemde termijn of bij ontbreken daarvan binnen een redelijke termijn; de vergunninghouder daar om vraagt; de vergunning is verleend in strijd met een wettelijk voorschrift; zich een wijziging voordoet in de omstandigheden en voor zover die gewijzigde omstandigheden zich naar het oordeel van het college verzetten tegen het in stand laten van de verleende vergunning; dit naar het oordeel van het college in het belang van de kwaliteit van taxivervoer noodzakelijk is, onder meer vanwege veranderde wetgeving, gewijzigde omstandigheden of inzichten.

Rechtspraak bij dit artikel