Het college kan een TTO-vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als:
ter verkrijging van de TTO-vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, die tot een ander besluit op de aanvraag om vergunning zouden hebben geleid;
de vergunninghouder in strijd handelt met een of meer bij of krachtens deze verordening gestelde regels of hieraan niet langer voldoet;
de vergunninghouder de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt;
de vergunninghouder de vergunning kennelijk gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend;
de vergunninghouder zich schuldig maakt aan handelingen of gedragingen die ernstig afbreuk doen aan het belang van de kwaliteit van taxivervoer;
de vergunninghouder geen gebruik maakt van de vergunning binnen de daarin genoemde termijn of bij ontbreken daarvan binnen een redelijke termijn;
de vergunninghouder daar om vraagt;
de vergunning is verleend in strijd met een wettelijk voorschrift;
zich een wijziging voordoet in de omstandigheden en voor zover die gewijzigde omstandigheden zich naar het oordeel van het college verzetten tegen het in stand laten van de verleende vergunning;
dit naar het oordeel van het college in het belang van de kwaliteit van taxivervoer noodzakelijk is, onder meer vanwege veranderde wetgeving, gewijzigde omstandigheden of inzichten.
Hoofdstuk › Paragraaf 3
Artikel 13
Gronden voor gehele of gedeeltelijke intrekking TTO-vergunning
Onderdeel van Taxiverordening Eindhoven 2016