Door de harmonisatie wordt het huidige peuterspeelzaalaanbod omgevormd tot peuteropvang conform de wet kinderopvang. Hierdoor verdwijnen de verschillen in wet-/regelgeving, financiering en kwaliteitseisen tussen beide voorschoolse voorzieningen dat wil zeggen de peuteropvang en kinderdagopvang.
In dit document wordt het inhoudelijke en financiële beleidskader voor reguliere peuteropvang beschreven. Voor- en vroegschoolse educatie wordt grotendeels op de peuteropvang uitgevoerd en is hiermee dus sterk verbonden. Dat is de reden dat deze twee beleidsterreinen aan elkaar zijn gekoppeld.
2.1 Algemene uitgangspunten voorschoolse voorzieningen
In Rhenen stellen we het belang en de ontwikkelingsbehoefte van het kind centraal. We zijn verantwoordelijk voor de lokale peuteropvang en zorgen voor een toegankelijke, betaalbare en thuisnabije voorziening in elke kern.
Daarbij maken peuteropvang en voor-en vroegschoolse educatie (vve) deel uit van een integrale (preventieve) aanpak waardoor alle kinderen in staat zijn om vaardigheden te ontwikkelen waardoor zij in de toekomst actief participeren in onze complexe en veranderlijke samenleving.
Streven is een aanbod peuteropvang en vve aan te bieden dat aansluit bij wat peuters in Rhenen nodig hebben en aansluit bij de behoefte van de ouders. Er moeten voldoende keuzemogelijkheden zijn. We zetten ons in om ouders actief te betrekken bij de ontwikkeling van hun kind.
Vanuit de visie dat dit het beste is voor de ontwikkeling van kinderen wordt uitgegaan van gemengde groepen (dat wil zeggen kinderen met en zonder vve-indicatie in één groep). Het is goed als kinderen met een (risico op) achterstand spelen met kinderen die al verder zijn in hun ontwikkeling.
Spelenderwijs wordt veel geleerd. Dit heeft tot gevolg dat peuters zonder achterstand ook het vve-programma krijgen aangeboden. Hierdoor wordt segregatie voorkomen. Momenteel is er een grote groep peuters die geen gebruik maakt van voorschoolse voorzieningen. Bezoek aan een voorschoolse voorziening is goed voor de cognitieve en sociaal emotionele ontwikkeling van het kind. Daarom streven we naar een zo groot mogelijk bereik. Dit sluit tevens aan bij de plannen van minister Asscher die plaatsen voor alle kinderen wil realiseren.
2.2 Reguliere peuteropvang
Algemeen
Door de harmonisatie wordt regulier peuterspeelzaalwerk omgevormd tot reguliere peuteropvang.We omschrijven reguliere peuteropvang als volgt:
Reguliere peuteropvang is kortdurende, intentionele (planvaardig, nadenkend en doelgericht), brede ontwikkelingsstimulering voor peuters vanaf 2,5 tot 4 jaar, die maakt dat ze goed voorbereid beginnen aan de basisschool. Er wordt een programma ingezet dat aandacht besteedt aan de taal-, reken-, sociaal emotionele - en motorische ontwikkeling. Een dagdeel peuteropvang omvat 3,5 uur.
Financieel kader
Door de harmonisatie zijn er grote veranderingen in het stelsel voor de financiering van peuteropvang. Hierdoor wordt, zowel voor de ouders, de instellingen als de gemeente, de systematiek van financiering flink gewijzigd. De gemeente verstrekt een bijdrage voor reguliere peuteropvang voor ouders van peuters die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag van de belastingdienst, bijvoorbeeld voor kostwinnergezinnen en niet werkende ouders. Met als doel om peuteropvang voor deze kinderen mogelijk te maken. Hiervoor ontvangt de gemeente een nieuwe rijksbijdrage, de decentralisatie uitkering voorschoolse voorziening peuters.
Het Rijk en de VNG zijn overeengekomen dat gemeenten zich inspannen om met deze extra middelen zorg te dragen voor een groter aanbod en bereik van peuteropvang voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag (het zogenaamde “non bereik van Asscher”).
De gemeente Rhenen stelt het huidige budget voor traditioneel peuterspeelzaalwerk ad € 97.736 en de nieuwe decentralisatie-uitkering voor peuteropvang beschikbaar voor peuteropvang nieuwe stijl (exclusief vve).
Tabel 1: Financieringsstructuur reguliere peuteropvang
De subsidiebedragen zijn nog niet geïndexeerd. Vanaf 1 januari 2017 worden de subsidiebudgetten in de gemeente Rhenen weer geïndexeerd (2017 1,45% en 2018 e.v. 1,69%) conform amendement van de gemeenteraad.
Decentralisatie uitkering: Zoals het er nu uitziet, zal ieder jaar de gemeente Rhenen circa € 12.000 erbij ontvangen voor het zogenaamde “non bereik van Asscher”. Dit budget van het Rijk staat overigens nog niet vast voor de jaren vanaf 2018. In 2018 zal het Rijk de verdeelsystematiek over gemeenten evalueren en eventueel bijstellen.
Korting: Werkende ouders hebben recht vanaf 1 januari 2018 op kinderopvangtoeslag voor peuteropvang binnen kinderdagverblijf of peuterspeelzaal/opvang. De financiering van de peuteropvang wordt hiermee volledig onder de Wet Kinderopvang gebracht, wat inhoudt dat de Rijksoverheid een groot deel van de kosten van peuteropvang voor zijn rekening neemt. Om die reden wil het Rijk de gemeentelijke decentralisatie-uitkering vanuit de Wet OKE die vanaf 2010 beschikbaar is gesteld, terughalen uit het Gemeentefonds en aanwenden voor de financiering van deze verruimde doelgroep. Definitief besluit hierover moet nog worden genomen door de 1e en 2e Kamer, wel is in de berekening al rekening gehouden met de voorgenomen korting.
2.3 Voor- en vroegschoolse educatie (vve)
Algemeen
Voorschoolse educatie is peuteropvang gericht op het verminderen van onderwijsachterstanden voor kinderen van 2 tot 4 jaar, waarbij gecertificeerde leidsters werken met een vve-programma.
Vroegschoolse educatie richt zich op kinderen met een achterstand van 4-6 jaar op de basisschool en valt onder de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen.
In het kader van het landelijke beleid voor onderwijsachterstanden is het voor gemeenten verplicht om voldoende vve-plaatsen voor doelgroepkinderen te realiseren (art 165, 166 en 167 Wet Primair Onderwijs). Tevens is er een inspanningsverplichting om zoveel mogelijk doelgroepkinderen te bereiken en toe te leiden naar vve.
Door vve geven we kinderen, vanaf 2 jaar, een betere start van hun schoolcarrière en bieden we hen zoveel mogelijk kansen voor het optimaal doorlopen van de schoolperiode. We streven naar een kwalitatief hoogwaardig en toegankelijk (ook financieel) vve-aanbod voor alle doelgroepkinderen met een zo hoog mogelijk bereik. Voor een zo groot mogelijk effect bezoekt een kind met een vve-indicatie, bij voorkeur, minimaal één jaar de voorschoolse voorziening. Uitgangspunt is zo min mogelijk wachttijd. We gaan uit van onderlinge doorverwijzing dat wil zeggen als er bij een instelling geen plaats beschikbaar is wordt naar een andere peuteropvang doorverwezen.
Zoals eerder genoemd wordt gewerkt met gemengde peutergroepen waarin peuters met en zonder vve-indicatie bij elkaar in één groep zitten. Bij voorkeur wordt gestreefd naar een maximum aantal vve-kinderen van 50% per groep.
De definitie van de doelgroep vve is gebaseerd op de gewichtenregeling (obv opleiding ouders). Naast de gewichten blijven de gemeentespecifieke redenen voor indicatie van toepassing. Dit zijn:
thuis niet of onvoldoende Nederlands spreken,
pedagogische onmacht,
onvoldoende stimulerende omgeving,
kinderen met geconstateerde achterstanden op het gebied van taal-spraak en of sociaal emotionele ontwikkeling.
onvoldoende interactie ouder/verzorger en kind.
In bijlage 3 is de indicatiestelling schematisch weergegeven.
Financieel kader
Door de harmonisatie zijn er grote veranderingen in het financieringsstelsel van reguliere peuteropvang. Voor- en vroegschoolse educatie is nauw verweven met de peuteropvang. De wijziging van de financiering van de peuteropvang heeft dan ook invloed op de financieringswijze van vve. Onderstaand is het financieel kader voor vve weergegeven.
Tabel 2: Financieringsstructuur voor- en vroegschoolse educatie
De subsidiebedragen vanaf 2018 zijn onzeker omdat het Rijk de nieuwe budgetperiode Onderwijsachterstandenbeleid (OAB) vanaf 2018 nog niet heeft vastgesteld. Gelet hierop is het vve-bedrag ad € 4.250 per vve plek alleen bepaald voor 2017 en geldt deze niet voor de jaren daarna. Dit bedrag zal opnieuw worden vastgesteld als het budget voor vve van het Rijk bekend is.
De peutergroep Willem Teellinck is een pilot-startgroep. Verschil met peuteropvang is o.a. dat de school de regie heeft en de groep geheel wordt gefinancierd uit middelen vve en niet uit middelen voor reguliere peuteropvang.
De overige kosten bestaan onder andere uit kosten voor ouderprogramma’s, bijdrage bibliotheek, vve- coördinator, voorlichting en scholing. Over de verdeling van deze middelen vindt besluitvorming plaats in de vve-werkgroep.
2.4 Coördinator voor- en vroegschoolse educatie
De coördinatie vve wordt uitgevoerd door een medewerker van de GGDrU. Zij is tevens verpleegkundige jeugdgezondheidszorg en geeft uitvoering aan “stevig ouderschap (een ondersteuningsprogramma voor jonge ouders)”. Dit zorgt ervoor dat zij bij een aantal ouders met een kind dat een vve-indicatie krijgt al bekend is. De coördinator verricht onder andere de volgende werkzaamheden:
De toeleiding en coördinatie van deelnemers aan het voorschoolse deel van het vve-traject.
In afstemming met de voorschoolse voorziening en de jeugdgezondheidszorg de aanmelding verzorgen van deelnemers aan het vve-traject.
Nagaan of ouders hun kind inschrijven bij de vve-instelling van hun voorkeur, zonodig ouders ondersteunen hierin of met de jeugdgezondheidszorg afstemmen hoe ouders te motiveren hun kind in te schrijven.
De gegevens van de deelnemers vve doorgeven aan de plaatsingsmedewerker of manager van de voorschoolse voorziening met vve. Dit gebeurt in afstemming met de jeugdgezondheidszorg medewerkers.
De coördinator heeft structureel 2-4 per jaar overleg over de vve-kinderen met de vve instellingen. Doel van dit overleg: zorg en aandacht kinderen worden besproken. Indien nodig worden er interventies voor het kind vastgesteld en met de instellingen afspraken gemaakt over de uitvoering. Het werkoverleg geeft ook de mogelijkheid om met de uitvoerende organisaties werkafspraken te evalueren, af te stemmen en/of te wijzigen.
Registratie en administratie van de deelnemers, waardoor een belangrijke bijdrage voor jaarlijkse monitoring en tussentijdse rapportages geleverd kan worden.
Signaleren van knelpunten die zich voordoen betreffende toeleiding/werving/selectie/
aanmelding/registratie/administratie en adviseren ten behoeve van verbetering en waar mogelijk deze doorvoeren.
Bijwonen van relevante overlegmomenten (o.a. werkgroep vve).
Toeleiding wordt geïntensiveerd door middel van huisbezoeken bij ouders die extra gemotiveerd moeten worden voor vve. Dit op advies van de jeugdverpleegkundigen en jeugdartsen of medewerkers voorschoolse voorziening.
Organiseren van de jaarlijkse werkconferentie voor- en vroegschoolse voorzieningen.
Organiseren van de werkgroep doorgaande lijn, evalueren van de begin 2016 ingezette overdrachtsdocumenten en afspraken.
Aanleveren van gegevens voor de verdeling van de subsidie peuteropvang en vve.
2.5 Integraal Kind Centrum (IKC)
Landelijke trend is dat er steeds meer Integrale Kind Centra (IKC) worden opgericht. Kern van het kindcentrum is een sterke alliantie tussen onderwijs en peuter- en kinderopvang. Overige partners, denk bijvoorbeeld aan zorg, sport en/of cultuur, kunnen daar bij aanhaken. De partijen bepalen samen hoe zij de samenwerking qua organisatie willen vormgeven. Ook in Rhenen hebben diverse scholen en instellingen aangegeven open te staan voor IKC’s.
In 2016 zijn samen met de (voor)scholen diverse gesprekken over een gezamenlijke overkoepelende visie IKC voor Rhenen gevoerd. Aan de hand hiervan wordt een document opgesteld dat september 2016 definitief gereed is en vervolgens zal worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.
De gemeente ondersteunt, faciliteert en schept kaders als het gaat om IKC vorming. De gemeente is niet sturend (zal niet dwingend voorschrijven wie met wie moet samenwerken) en houdt zich ook niet bezig met de inhoud van de gezamenlijke pedagogische visie van de verschillende IKC’s.
Een kindcentrum komt tot stand op basis van vrije partnerkeuze. Het is aan de partijen zelf om de samenwerking aan te gaan. De gemeente denkt mee en kan desgewenst bemiddelen of in de randvoorwaardelijke sfeer meewerken.
Grote lijnen van de gezamenlijke visie zijn de volgende:
Gestreefd wordt naar minimaal in elke kern een Integraal Kind Centra (IKC).
Peuteropvang, primair onderwijs en buitenschoolse opvang zijn in ieder geval deelnemers.
Kinderdagopvang, sport, cultuur, bibliotheek en andere instellingen kunnen mede onderdeel vormen van een IKC.
Het realiseren van effectieve samenwerking is in eerste instantie belangrijker dan het realiseren van gezamenlijke huisvesting.
Verwacht wordt dat de continuïteit en kwaliteit van de peuteropvang, inclusief de uitvoering van vve-programma’s voor doelgroepkinderen, op langere termijn beter geborgd kan worden binnen deze clusters door integratie met het binnen de clusters aanwezige aanbod buitenschoolse opvang en/of kinderdagopvang. Enerzijds omdat daarmee het aantal betrokken organisaties minder is, anderzijds omdat daarmee een doorgaande ontwikkelingslijn van 2 tot 12 jaar in zowel het voorschoolse als het naschoolse aanbod beter afgestemd kan worden met het basisonderwijs binnen elk IKC.
Artikel Reguliere peuteropvang en voor- en vroegschoolse educatie
Artikel Reguliere peuteropvang en voor- en vroegschoolse educatie
Onderdeel van Beleidsnotitie gesubsidieerde peuteropvang en voor- en vroegschoolse educatie (vve) - Gemeente Rhenen