1. Een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
wordt geweigerd, tenzij uit de afweging van de in het geding zijnde belangen blijkt dat het belang van velling van de houtopstand groter is dan het belang van handhaving van de houtopstand.
2. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan welonder voorschriften verlenen in het belang van onder meer:
a. natuurwaarden van de houtopstand;
b. landschappelijke waarden van de houtopstand;
c. cultuurhistorische waarden van de houtopstand;
d. beeldbepalende waarden van de houtopstand;
e. de waarden van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
f. waarden voor leefbaarheid van de houtopstand.
ARTIKEL 6 Standaardvoorwaarde van niet-gebruik
1. Van eenvergunning mag eerst in de volgendegevallen gebruik worden gemaakt:
a. na het verstrijken van de bezwaartermijn (van 6 weken), en indien bezwaar is ingesteld, na 2 weken na het bekend maken van de beslissing op het bezwaar, en;
b. indien de samenhangende vergunning (bijvoorbeeld bouw, sloop, uitweg, of aanleg) is verleend, en;
c. indien de samenhangende monumentenvergunning onherroepelijk is, danwel krachtens rechterlijke uitspraak de opschorting van de werking van de vergunning is opgeheven.
2. Het in het eerste lid bepaalde wordt in een vergunning als bedoeld in artikel 2 eerste lid, vermeld.