**1..** Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
een persoonsgebonden budget wordt alleen verstekt ten aanzien van individuele voorzieningen;
de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten, zoals vastgelegd in het Wmo besluit ;
**c..** de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld wordt vastgelegd in het Wmo besluit. Op het persoonsgebonden budget worden de toepasselijke voorwaarden, zoals genoemd in het Wmo besluit, in de beschikking opgenomen.
**2..** Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke stukken, zoals genoemd in het Wmo besluit, op verzoek van het college per omgaande te verstrekken.
**3..** Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden beoordeelt het college of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.
Artikel 7 Eigen bijdragen en eigen aandeel
Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. De omvang van deze eigen bijdrage of financiële tegemoetkoming wordt vastgelegd in het Wmo besluit.
Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden
Artikel 8 Vormen van hulp bij het huishouden
De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:
een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden;
hulp bij het huishouden in natura;
een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden.
Artikel 9 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden
Een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de wet, kan voor de in artikel 8 onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:
aantoonbare beperkingen of
problemen bij het uitvoeren van de mantelzorghet zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan oplossen.
Een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de wet, kan voor de in artikel 8 onder b. en c. vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht indien:
de in artikel 8 onder a genoemde voorziening een onvoldoende oplossing biedt of
niet beschikbaar is.
Artikel 10 Gebruikelijke zorg
In afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 4, 5 en 6 van de wet, niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid, waar deze persoon deel van uitmaakt, één of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijke werk te verrichten.
Artikel 11 Omvang van de hulp bij het huishouden
De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in eenheden, zoals nader te bepalen in het Wmo besluit.
Artikel 12 Omvang van het persoonsgebonden budget
Het bedrag, dat per eenheid in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt vastgelegd in het Wmo besluit.
Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen
Artikel 13 Vormen van woonvoorzieningen
De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:
een algemene woonvoorziening;
een woonvoorziening in natura;
een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening;
een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening.
Artikel 14 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele woonvoorzieningen
Een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet, kan voor de in artikel 13, onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen.
Een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet, kan voor de in artikel 13, onder b., c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de in het vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een snelle en adequate oplossing leidt.
Artikel 15 Soorten individuele woonvoorzieningen
De in artikel 13 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:
een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;
een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;
een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening;
een uitraasruimte.
Artikel 16 Primaat van de verhuizing
Een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet, kan voor een voorziening, als bedoeld in artikel 15 onder a., in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen het normale gebruik van de woning belemmeren.
Een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet, kan voor een voorziening, als bedoeld in artikel 15 onder b. en c., in aanmerking worden gebracht indien de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.
Een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet, kan voor een voorziening, als bedoeld in artikel 15, onder d., in aanmerking worden gebracht indien sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.
Artikel 17 Frequentie van woningaanpassingen
Het college verleent een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening, als bedoeld in artikel 13 onder b, c en d, indien de noodzaak van het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond.
Een tegemoetkoming, als bedoeld in het eerste lid, kan maximaal eenmaal in de 10 jaar worden verstrekt.
Artikel 18 Uitsluitingen
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.
Artikel 19 Hoofdverblijf
Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.
In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte, indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.
De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat.
De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een in het Wmo besluit vast te leggen maximumbedrag.
Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.
Artikel 20 Beperkingen
De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak of;
de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden.
Artikel 21 Terugbetaling bij verkoop
De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening heeft ontvangen, die meer bedraagt dan een in het Wmo besluit vastgesteld bedrag, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning schriftelijk mee te delen aan het college. De financiële tegemoetkoming in de kosten van het treffen van een woonvoorziening dient volgens het in het Wmo besluit vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald.
Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel
Artikel 22 Vormen van vervoersvoorzieningen
De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:
een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening;
een vervoersvoorziening in natura;
een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening.
Artikel 23 Het recht op een algemene voorziening
Een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet, kan voor de in artikel 22 onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen:
het gebruik van het openbaar vervoer of
het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.
Artikel 24 Het primaat van het collectief vervoer
Een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet, kan voor de in artikel 22, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:
aantoonbare beperkingen het gebruik van een collectief systeem, als bedoeld in artikel 22, onder a., onmogelijk maken dan wel
een collectief systeem, als bedoeld in artikel 22, onder a., niet aanwezig is.
Hoofdstuk 2.
Artikel 6
Persoonsgebonden budget
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rijssen-Holten 2007