Deze verordening is van toepassing op de Rijnhaven, zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart, met inbegrip van haar kaden en de zich in de haven bevindende kunstwerken, onverschillig wie op deze kaden en werken rechthebbenden zijn.
Tot de kaden van de haven worden gerekend te behoren de kruin en de wederzijdse taluds. Op de plaatsen waar geen afzonderlijke kade is aangelegd worden het aan de waterkant gelegen talud of de damwand en een strook grond ter breedte van vijf meter, gerekend vanaf de bovenzijde van het talud of de damwand, voor de toepassing van deze verordening als kade aangemerkt.