De ontvanger van een subsidie dient uiterlijk 1 april van het jaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in, voorzien van de volgende stukken:
de jaarrekening voorzien van een accountantsverklaring;
een overzicht van het aantal bezette peuterplaatsen, waarbij gespecificeerd wordt of de peuterplaats wordt benut voor peuteropvang als bedoeld in artikel 3 of VVE als bedoeld in artikel 5 van deze regeling;
een inhoudelijke en financiële verantwoording van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend.
Daarnaast beschikt de subsidieontvanger over de volgende bewijsstukken in zijn eigen administratie:
van alle VVE-peuters een indicatieformulier van het consultatiebureau;
van alle ouders die aangeven geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag een ondertekende ouderverklaring en een IB-60 verklaring van de Belastingdienst.
Het college kan de gegevens bedoeld in het tweede lid bij de ontvanger opvragen.
Hoofdstuk 4
Artikel 10
Verantwoording
Onderdeel van Subsidieregeling peuteropvang en voor- en vroegschoolse educatie