Bij de invordering van de afvalstoffenheffing,
onroerende-zaakbelastingen en de rioolheffing, vindt ten aanzien van
kwijtschelding het bepaalde in hoofdstuk 2, artikel 16 van de
Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 toepassing met dien
verstande, dat de kosten van bestaan worden vastgesteld op 100
procent van de genormeerde bijstandsuitkering.
Bij de kwijtschelding van de in het eerste lid genoemde belastingen
wordt voor echtgenoten, voor een alleenstaande of een alleenstaande
ouder, die 65 jaar of ouder zijn, het percentage voor de berekening
van de kosten van bestaan gesteld op 100% percent van de
toepasselijke netto AOW-bedragen, berekend overeenkomstig het
bepaalde in artikel 1a van de Nadere regels kwijtschelding
gemeentelijke en waterschapsbelastingen.
Bij de kwijtschelding van de in het eerste lid genoemde belastingen
worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 28, lid 3, van de
Uitvoeringsregeling als uitgaven mede in aanmerking genomen de netto
kosten van kinderopvang.
Ter beoordeling van de aanvraag om kwijtschelding vindt een toets
plaats aan de hand van wat bepaald is in artikel 12 van de
Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.
Met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde,
wordt een verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en
heffingen die geen verband houden met de uitoefening van het bedrijf
of beroep, van een natuurlijk persoon die een bedrijf of zelfstandig
beroep uitoefent, behandeld volgens de bepalingen van hoofdstuk II,
afdelingen 1, 2 en 5 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet
1990.
Artikel 3
Verruimde kwijtschelding
Onderdeel van Verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2017 Haaksbergen (9.33d)