**1..** Dit artikel is van toepassing op aanvragen om een vergunning als bedoeld in artikel 21 onder d van de Wet ten behoeve van woningvormen.
**2..** Een aangevraagde vergunning wordt ingevolge artikel 5, eerste lid, onder a van de Verordening geweigerd als het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad zwaarder weegt dan het belang dat met het de aanvraag is gediend. Dit is het geval indien het bruto-vloeroppervlak van 70,0 % of meer van de woningen in de desbetreffende CBS-buurt kleiner of gelijk is aan 110,0 m2. Bij het bepalen van dat percentage houdt het college ook rekening met de verleende maar nog niet gebruikte onttrekkings- en woningvormingsvergunningen.
**3..** Een aangevraagde vergunning wordt ingevolge artikel 5, eerste lid, onder b van de Verordening geweigerd indien de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, zich verzet tegen verlening van de aangevraagde vergunning. Daarvan is in ieder geval sprake indien het gebouw een flat- of portiekwoning is.
**4..** Een aangevraagde vergunning wordt ingevolge artikel 5, eerste lid, onder b van de Verordening geweigerd, indien zij wordt aangevraagd voor het vormen van zelfstandige woonruimte met een gebruiksoppervlak van minder dan 50,0 m2.
**5..** Een aangevraagde vergunning wordt ingevolge artikel 5, eerste lid, onder b van de Verordening geweigerd indien de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, zich verzet tegen verlening van de aangevraagde vergunning. Daarvan is in ieder geval sprake indien per te vormen zelfstandige woonruimte niet voorzien wordt in een bergruimte, welke voldoet aan de volgende eisen:
zelfstandige woonruimte met een gebruiksoppervlak van 50,0 m2 of meer beschikt over een niet-gemeenschappelijke bergruimte van tenminste 5,0 m2 bij een breedte van tenminste 1,8 m en een hoogte daarboven van tenminste 2,3 m. Deze bergruimte is rechtstreeks toegankelijk via het aansluitend terrein of via een gemeenschappelijke verkeersruimte;
zelfstandige woonruimte met een gebruiksoppervlak van kleiner dan 50,0 m2 kan, in afwijking van het hiervoor onder a bepaalde, beschikken over een gemeenschappelijke bergruimte van tenminste 1,5 m2 per zelfstandige woonruimte en een hoogte daarboven van tenminste 2,3 m. Deze gemeenschappelijke bergruimte is rechtstreeks toegankelijk via het aansluitend terrein of via een gemeenschappelijke verkeersruimte.
**6..** Het college kan gemotiveerd afwijken van het bepaalde in lid 2, lid 4 en lid 5.
Hoofdstuk 2 › § 2.5
Artikel 11