Aan een vergunning als bedoeld in artikel 21 onder a van de Wet ten behoeve van onttrekken worden de volgende voorwaarden en voorschriften verbonden:
de voorwaarde op grond waarvan zij pas in werking treedt als zij onherroepelijk is geworden;
de voorwaarde op grond waarvan van de vergunning binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden daarvan gebruik moet worden gemaakt;
het voorschrift houdende een verbod om door gebruik van de onroerende zaak of zaken, waarop de vergunning betrekking heeft, of door het gebruik van een daarbij behorend erf of terrein, ernstige overlast, ernstig gevaar of vervuiling te veroorzaken;
het voorschrift houdende dat de vergunninghouder alle maatregelen treft die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden ter voorkoming van overlast en gevaar voor of veroorzaakt door bewoners van de onroerende zaak of onroerende zaken waarop de vergunning betrekking heeft of door het gebruik van een bij die onroerende zaak of onroerende zaken behorend terrein of erf;
het voorschrift houdende dat de onroerende zaak of onroerende zaken waarop de vergunning betrekking heeft niet gebruikt mag worden of mogen worden in strijd met het Bouwbesluit 2012, het ter plaatse geldende bestemmingsplan of de ter plaatse geldende beheersverordening;
het voorschrift houdende dat de onroerende zaak of onroerende zaken waarop de vergunning betrekking heeft niet in een staat gebracht mag of mogen worden waardoor strijd ontstaat met het Bouwbesluit 2012, het ter plaatse geldende bestemmingsplan of de ter plaatse geldende beheersverordening.
Hoofdstuk 2 › § 2.2
Artikel 4