Naar hoofdinhoud
1.. In deze verordening wordt verstaan onder a. de wet de Wet werk en bijstand (Stb. 2003,375); b. alleenstaande de ongehuwde van 21 jaar of ouder die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte; c. alleenstaande ouder de ongehuwde van 21 jaar of ouder die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte; d. gehuwde een persoon die gehuwd is en 21 jaar of ouder is; hiermee wordt gelijk gesteld de geregistreerde partner; en hiermee wordt ook gelijkgesteld de ongehuwde die een gezamenlijk huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte; e. gezamenlijke huishouding twee personen die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en die blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins f. gezin de gehuwden tezamen, dan wel gehuwden met ten laste komend(e) kind(eren), dan wel een alleenstaande ouder met ten laste komend(e) kind(eren) ; g. kind het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind; h. ten laste komend kind het kind, jonger dan 18 jaar, voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken; i. belanghebbende degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; j. woning een woning, een woonwagen of een woonschip; k. woonkosten 1.indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopend huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Huursubsidiewet; 2.indien een eigen woning wordt bewoond, de verschuldigde hypotheekrente ten behoeve van de financiering van de woning en/of de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke lasten wordt verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de opstalverzekering en het eigenaaraandeel van de waterschapslasten; l. hoofdverblijf een woning of wooneenheid waar belanghebbende zijn woonstede heeft of bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf, zoals bedoeld in boek 1, titel 3 van het Burgerlijk Wetboek; m. hoofdbewoner de eigenaar van een woning die tevens zijn hoofdverblijf heeft in die woning, dan wel degene die als enige een huurovereenkomst heeft met de niet in de woning wonende eigenaar van die woning; n. netto minimumloon het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en het werknemersaandeel ziekenfondspremie; de loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend overeenkomstig de bepalingen in artikel 37 lid 2 van de wet. 2.. Als ongehuwd wordt mede aangemerkt degene van 21 jaar of ouder die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 3.. Een gezamenlijke huishouding wordt, zoals omschreven in artikel 3 lid 4 van de wet, in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt; uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander; zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of zij op grond van een registratie als genoemd in het 'Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding' worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding bedoeld in artikel 3 lid 3 van de wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel